Over Liturgische gebaren

Het kussen van het altaar.

Aan het begin van de Eucharistieviering, en ook op het eind, kust de priester het altaar.
Dit gebruik gaat terug op de vroeg-kerkelijke schrijvers.
Zij zijn in het altaar een symbool van Christus zelf gaan zien.
Doordat aan het altaar de gedachtenis van de Heer wordt gevierd en zijn Lichaam en Bloed aan de gelovigen wordt gegeven.
Trouwens, een van de “bijnamen” (zoals herder en bruidegom) van Christus is een naam die wij niet vaak gebruiken: “levende steen”.
Petrus gebruikt die aanduiding in zijn eerste Brief, waarbij hij dus in de bouwvakkerstermen duikt: “Ik plaats in Sion een steen, een levende steen, door de bouwvakkers wel afgekeurd, maar door God uitgekozen en kostbaar.”
Bovendien: in psalm 62 staat: “God is mijn rots.” En in Paulus’ Korintenbrief wordt ook Christus genoemd: “de rots”.
Vandaar dat ook het altaar al eeuwenlang een symbool van Christus is, waarin zelfs, gestileerd in de vorm van kruisjes, zijn vijf grote wonden staan gegraveerd (op alle altaren in de wereld).
Het kussen van het altaar is dus een groet en eerbetoon aan Christus.

De orantehouding

Een van de oudste gebaren zien we bij het uitspreken van gebeden.
Het is de zogeheten “orantehouding”. (Orante = biddende.)
De armen worden omhoog geheven, met de handpalmen iets naar boven gericht.
In het gebed richten wij ons immers tot God die “in den hoge” is en van wie wij alle zegen verwachten.
Wij zien dit gebaar dan ook bij alle oraties: het openingsgebed, de prefatie, het eucharistisch gebed, het Pater noster, het gebed na de Communie.
Dit gebaar kan ook door alle gelovigen verricht worden tijdens het bidden van het Onze Vader.
En de twee reusachtige gebrandschilderde engelen in de ramen van onze voormalige dagkapel staan eveneens in de orantehouding, aan weerszijden van God de Vader.