Historisch overzicht 1904 - 1979


Kaft_Historische_beschrijving_kathedraal

BESCHRIJVING VAN DE KERK
VAN DE H.H. LAURENTIUS EN ELISABETH
met enige historische achtergrond
Mathenesserlaan 307 - Rotterdam
1904 - 1979

door Zuster Liduino Stalenhoef, Franciscanes van Bennebroek
en
Dr. Mr. C. W. van Voorst van Beest

Baars en Morel bv - Rotterdam


pag. 2

Verantwoording


De samenstellers van dit boekje hebben zich laten leiden door de gedachte dat een beschrijving van het kerkgebouw van de H.H. Laurentius en Elisabeth, belangstellende bezoekers tot een beter verstaan en, naar zij hopen, tot een grotere waardering voor het rijke kunstbezit van deze kerk zou brengen.
Bij deze beschrijving leek het hun van betekenis ook enkele mededelingen te doen over de tijd waarin en de geest waaruit het beschrevene is ontstaan.
Door talloze mensen zijn in de afgelopen vijfenzeventig jaar parochie en kerkgebouw gemaakt tot wat zij zijn: priesters en leken; kerkmeesters, kosters (de heer van Bree senior en zijn populaire zoon .lacques die samen de periode van 1904 tot 1977 hebben gevuld met hun onmisbare diensten), acolieten en misdienaars; architecten, kunstenaars, aannemers, uitvoerders en arbeiders; grote weldoeners en onbekenden die met kleine giften het werk mogelijk hebben gemaakt en zoveel andere mannen, vrouwen, meisjes en jongens die op welke manier dan ook hun steentje hebben bijgedragen tot de opbouw van kerk en parochiegemeenschap.

Onze opzet van een kerkbeschrijving met enige historische achtergrond ontsloeg ons van de plicht zoveel mogelijk van die mensen met naam en toenaam te vermelden. Wij deden dit alleen bij de kunstenaars van wie het werk beschreven wordt; bij enkele personen die onmogelijk onvermeld konden blijven en van de vier pastoors die in deze vijfenzeventig jaar elk in zijn eigen stijl, de stuwende krachten zijn geweest zonder wie parochie en kerkgebouw niet zouden zijn wat ze nu zijn. Zonder ook maar iets te willen afdoen aan de prestaties en de inspanningen van kapelaans, koorleden, organisten, collectanten of wie dan ook, wagen wij het de geschiedenis van parochie en kerkgebouw te verdelen in vier perioden, elk genoemd naar de pastoor die toen de parochie leidde.

pag. 3

Pagina 4 is een blanco pagina die ik dus niet heb overgenomen.

Historisch overzicht

1.    De periode - Wreesman (1904-1927)
Rond het jaar 1900 had de uitbreiding van Rotterdam aan de westzijde, met name in de Coolpolder, in korte tijd een zodanige omvang gekregen, dat verschillende gelovigen bij de geestelijkheid hadden aangedrongen op stichting van een parochie in deze nieuwe woonwijk.
Niet alleen de gelovigen - men zou tegenwoordig spreken van ,,de basis" of van ,,het veld" - maar ook de achtereenvolgende pastoors Poels, Kleijweg en Ooms van de
Sint-Jozefparochie hadden ernstig nagedacht over dit plan. Er was zelfs optie genomen op een terrein aan de 's-Gravendijkwal en later op een perceel aan de toen nog aan te leggen Hondiusstraat en ,,bestemd om er eene kerk en huizen op te bouwen", maar deze plannen zijn nooit doorgegaan.
Ook was de bovengenoemde pastoor M. P. A. Ooms al in overleg getreden met zijn naaste westerbuurman pastoor J. B. Burgers van de parochie van Sint-Antonius Abt in
Oud Delfshaven over een eventuele grensscheiding tussen hun beider parochies en over een nieuw op te richten parochie. Samen met deken J. J. Rutten onderhandelden zij hierover en hun overleg resulteerde in een brief (plechtig genoemd ,,een missive") die zij in het begin van het jaar 1904 aan Mgr. A. J. Callier, bisschop van Haarlem, zonden met het verzoek tot oprichting van een nieuwe parochie.
Zij besloten hun brief met de verzekering ,,te durven gelooven dat die Parochie eene schoone toekomst zou tegemoet gaan".
In opdracht van pastoor Ooms nam de bouwkundige J. A. Peeters in april alvast een terrein ,,in handen" aan de Mathenesserlaan, behorende aan de gemeente Rotterdam, ± 3885 m2 groot, dat voor f 22, per m2 gekocht zou kunnen worden.
Op 4 mei benoemde Mgr. Callier de weleerwaarde heer A. J. H. Wreesman, kapelaan van de St. Catharinaparochie te Amsterdam, tot kapelaan van de St. Jozefkerk te Rotterdam met de opdracht voorbereidende maatregelen te treffen tot de stichting van een nieuwe parochie.
Voor de toen 39-jarige kapelaan Wreesman moet deze benoeming niet onverwacht zijn geweest, want in september 1903, acht maanden voor zijn benoeming, had hij mgr. Callier op bezoek gehad. Deze, toen nog vicaris-generaal van het bisdom, verrichtte de visitatie (inspectiebezoek) van de St. Catharinaparochie, enkele dagen voordat zijn benoeming tot bisschop van Haarlem officieel bekend werd gemaakt. Bij deze visitatie had hij kapelaan Wreesman al op de hoogte gesteld van zijn voornemen hem tot pastoor van een nieuw op te richten parochie te benoemen.
Dadelijk na zijn benoeming stelde Wreesman een bouwcommissie

pag. 5

samen waarin, behalve hijzelf, de heren J. A. Peeters en H. J. Egelie zitting namen.
Op 2 juni 1904 keurde de gemeenteraad de verkoop van het in optie genomen perceel tegen de som van f 85.470,-, goed.
Op 10 september d.a.v. werd de bouwgrond in eigendom overgedragen aan de inmiddels officieel opgerichte parochie.
Van het kerkbestuur van de St. Jozefparochie te Gouda zou voor f 4.000,- een houten noodkerk worden gekocht, maar het gemeentebestuur van Rotterdam gaf geen toestemming tot plaatsing van een houten hulpkerk; blijkbaar vond het een dergelijk gebouwtje misstaan in een zo deftig gedacht nieuw woonkwartier als de Mathenesserlaan.
De bouwcommissie liet daarom een drijfstenen hulpkerk bouwen, door J. H. Stelwagen aangenomen voor f 6.590,-, later nog vermeerderd met f 538,01, omdat de bouwpolitie had geëist dat het gebouwtje op een ijzeren raam zou rusten en dat er verschillende nooduitgangen in zouden worden aangebracht.
Inmiddels had de bisschop van Haarlem uit een lijst van voorgestelde patroonheiligen de
H. Elisabeth van Hongarije uitgekozen, ,,de Patrones van armen en zieken, tevens Patrones van de goede huismoeders en van een te Rotterdam bloeiende Vereeniging van dien naam"
Er werden benodigdheden voor de eredienst aangeschaft: een altaar en een communiebank konden worden overgenomen van de heer J. Grewen die ze had bestemd voor het
Sint-Agatha-gesticht aan de Bergweg, dat echter nooit is gebouwd; een preekstoel werd tweedehands gekocht van de parochie in Nes aan de Amstel, de kruiswegstaties van die in Ouderkerk, de doopvont van de parochie van de H. Franciscus van Assisi in Rotterdam (Afrikaanderplein), zilveren en koperen voorwerpen werden geleverd door het atelier van
G. B. Brom in Utrecht,er kwamen heiligenbeelden, kerkgewaden, sacristie benodigdheden en een brandvrije tabernakelkast.
Wreesman zelf schonk een witmarmeren beeld voorstellende Onze Lieve Vrouw van Lourdes.
De bouwcommissie werd omgezet in een kerkbestuur waarin de heren Peeters en Egelie, omdat zij niet in de parochie woonden, niet benoembaar waren. De eerste kerkmeesters werden W. P. A. Harte en J. H. Stelwagen, ,,mannen die zoowel om hunne catholiciteit als om hunne kennis van zaken goed te naam en te faam bekend stonden".
Op 2 augustus 1904 werd kapelaan Wreesman officieel benoemd tot pastoor van de nieuw opgerichte parochie onder de bescherming van de H. Elisabeth. Daags daarvoor was een begin gemaakt met de bouw van de hulpkerk en precies een maand later, op 1 september 1904, werd deze door deken A. A. Verbeek ingezegend en werd Wreesman als pastoor geïnstalleerd. Bij die gelegenheid werd een plechtige hoogmis opgedragen waaronder het zojuist opgerichte zangkoor ,,In honorem Sanctae Elisabeth", samen met een jongenskoor onder leiding van de 14-jarige organist A. van Bijnen, die een mis van de dirigent Giesen zelf uitvoerde.

pag. 6

Op 13 december 1904 werd ineen verenigde vergadering van kerkbestuur en bouwcommissie de heer P. G. Buskens te Rotterdam uit 15 candidaten als architect van de definitieve kerk gekozen. Dit zou de eerste kerk worden die Buskens bouwde. Op 7 september 1906 werd het bouwplan goedgekeurd; op 7 november d.a.v. werd het terrein gezegend en het kruis geplant en op 19 november, feest van de H. Elisabeth, ging de eerste heipaal de grond in. Op 23 april 1907 werd de eerste steen gelegd door deken A. A. Verbeek en op 1 mei 1908 kon deken P. A. R. Thier de gedeeltelijke bouw van de nieuwe kerk inzegenen. De consecratie zou, volgens de wens van Mgr. Callier pas geschieden na de uiteindelijke voltooiing van het gebouw.
Op 14 mei 1908 werd het Allerheiligste ,,uit Zijn nederig stulpje naar den massieven, nieuw gebouwden tempel" overgebracht en in die tempel straalde het licht van meer dan 200 Osram-lampen, terwijl het koor ,,hoog jubelend" het ,,Hosanna, den Zoon van David, gezegend Hij die komt in den naam des Heeren" zong alsmede het jubellied: ,Elisabeth ter eere, der westerwijk tot sier".
Door de Eerste Wereldoorlog werd de bouw van de kerk vertraagd en na die oorlog waren prijzen, lonen en rentepeil sterk gestegen. Toch kon op 9 december 1920 de eerste heipaal worden geslagen voor wat nu het voorstuk van de kerk is. Eind Januari 1922 was de kerk voltooid en op 8 mei 1922 werd zij door Mgr. A. J. Callier geconsacreerd.
In verband met de gestegen kosten werd de afbouw door architect J. P. J. Hendriks eenvoudiger uitgevoerd dan aanvankelijk beraamd was. Zo werd de toren niet 65 maar 35 meter hoog. Een electrisch uurwerk werd bij de gemeente aangevraagd en verkregen.
Op 28 oktober 1921 kwam het kruis op de toren die daarmee een totale hoogte van 42 meter bereikte.
Tot op het eind van zijn pastoraat heeft pastoor Wreesman gewerkt aan de verdere inrichting van het interieur. Wij zullen dit bij de beschrijving van allerlei onderdelen nader vermelden.
Op 21 augustus 1909 was de definitieve pastorie gereed gekomen nadat eerst het pand Mathenesserlaan 293 en later 287 als voorlopige pastorie hadden gediend. Het nieuwe gebouw was berekend op de huisvesting van een pastoor met vier kapelaans, logés en ruime huishoudelijke hulp.
Tegelijk met de pastorie verrezen de patronaatszalen voor het jongenspatronaat van de H. Tarcisiusen het meisjespatronaat van de H. Agnes, beide opgericht in 1906.
Toen pastoor Wreesman op 29 augustus 1927 op zijn verzoek eervol ontslag kreeg -hij was toen 63 jaar- kon hij terugzien op een vruchtbaar pastoraat en dat niet alleen op grond van zijn activiteiten als bouwer. Hij woonde tot zijn overlijden op 21 maart 1930 als rustend priester op Heemraadssingel 134.

pag. 7

2. De periode - Querelle (1927-1935)

Was Wreesman de stuwer, Querelle was de consolidator. In zijn korte periode werkte hij aan de schuldaflossing van de kerk, aan de verdere verfraaiing van het gebouw,aan de bevordering van de devotie tot het H. Hart van Jezus en aan de leniging van de stoffelijke noden van behoeftige parochianen. Op 51-jarige leeftijd pastoor geworden van de St. Elisabethparochie, ging hij al op 19 juni 1935 met emeritaat en overleed op 1 augustus d.a.v.

3. De periode-Kerkvliet (1935--1962)

Pastoor Kerkvliet erfde van zijn voorgangers een bloeiende parochie met een goed toegerust kerkgebouw en hij bouwde daarop voort. De Tweede Wereldoorlog legde hem echter zware lasten op.
Op 3 oktober 1941, terwijl de kerk nog rijk versierd was na het Aanbiddingsfeest van 27 september en nadat zij 's avonds, op de eerste van de negen-eerste-vrijdagen nog geheel gevuld geweest was met gelovigen, troffen haar om 21.40 uur twee bommen. De ene viel langs de toren, ontplofte en sloeg de hele biechtkapel links van de ingang aan puin, verwoestte banken en pilaren en beschadigde het orgel. Vele glas-in-lood-ramen en gebrandschilderde vensters werden er door de luchtdruk uitgeslagen.
Het plafond in het middenschip en de gewelven achterin de kerk en in de zijgangen stortten in. Het beeld van de H. Leonardus werd van zijn voetstuk geslagen en ,,het St. Franciscusbeeld verloor, op de vooravond van zijn feestdag, zijn gewijde hoofd.
Achterin de kerk was het een ruïne; banken werden in elkaar geschoven en twee kruiswegstaties werden vernield.
De andere bom sloeg door het dak van de koepel en verdween bij de tweede bank in het middenpad door de betonnen vloer.
Op 15 november 1941 kon de kerk weer in gebruik genomen worden; de ramen waren gedicht met kathedraal glas, een schutting sloot de verwoeste hoek af. Molestverzekering dekte de schade.
Op 29 november 1944 om 11.30 uur kreeg de openbare school aan de Robert Fruinstraat een voltreffer. Door de luchtdruk vlogen alle ruiten van de kerk eruit, ook het grote transeptraam bij het Maria-altaar, dat de ,,Openbaring van Christus aan de heidenen voorstelde" (een werk van Karel Trautwein te Haarlem) en ,,het laatste gebrandschilderde raam van f 8000,". Dak, deuren en orgel leden schade en de klok sloeg uit de toren. Op 16 december 1944 kon de kerk weer in gebruik genomen worden.
Na de oorlog heeft pastoor Kerkvliet onvermoeid geijverd voor het doen vervangen van alle vernielde ramen, van de op 19 november 1942 door de bezettende macht uit de toren genomen Sint-Anna klok en van de andere klokken. In oktober 1935 had hij al dadelijk het torendak, dat steeds kostbare reparaties vergde, laten voorzien van een koperen bekleding.

pag. 8

Pastoor Kerkvliet wist zijn gelovigen met steeds nieuwe geestelijke ,stunts" voortdurend te boeien. Toen hij op 1 juli 1962 met emeritaat ging, verliet ons een late representant van het Rijke Roomse Leven, een man met een Bourgondische leefstijl en met iets van de barok in zijn wezen. Op 3 mei 1969, daags voor zijn 82ste verjaardag,overleed hij.

4. De periode Grimbergen

Betekende de opvolging van de toen 75-jarige pastoor Kerkvliet door de 48-jarige pastoor Grimbergen een aanmerkelijke verlaging van de leeftijd van de parochieherder, ook in andere opzichten verschilden beider pastoraten hemelsbreed.
In 1962 was de grote crisis in Kerken maatschappij duidelijk voelbaar geworden.
Weldra zou het Tweede Vaticaanse Concilie bijeenkomen, door sommigen begroet als het eindpunt van allerlei ontwikkelingen, door anderen daarentegen hoopvol beschouwd als het startpunt van verdere vernieuwing.
Wij kwamen terecht in de periode van de ,,leeglopende Kerk". De buurt veranderde van karakter; vele oude, vertrouwde families verhuisden naar elders; priesters verlieten het ambt.
Kon pastoor Kerkvliet op Christus Koning, 27 oktober 1946, nog plechtig het lichtkruis op de toren ontsteken als een signaal van triomferend katholicisme, pastoor Grimbergen moest in alle bescheidenheid in februari1971 twee derde van het middenschip met een gordijn afsluiten om de kerkgangers niet helemaal het idee te geven dat ze als ,,een kleine rest" in een grote leegte zaten.
Samen met de onvergetelijke kapelaan D. L. Beljaars heeft pastoor Grimbergen de sterk ingekrompen kudde begeleid, behoedzaam zijn weg zoekend tussen de waardevolle elementen uit de traditionele geloofsbeleving en de eisen van de nieuwe tijd.
Sprekend voor dit streven was de reconstructie van priesterkoor en altaar in 1964.
Op16 maart werd de kerk geïnaugureerd tot kathedraal, nadat de enorme neogotieke Sint Laurentiuskerk aan de Westzeedijk was gesloten en afgebroken. Sindsdien is de
H. Laurentius als kerkpatroon toegevoegd aan de H. Elisabeth.
Op20 maart 1971 werd Mgr. dr. A. J. Simonis, de opvolger van Mgr. M. A. Jansen, hier tot bisschop van het in 1956 opgerichte bisdom Rotterdam gewijd.

pag. 9

Bezichtiging van de kerk

1. Inleiding

We beginnen onze rondgang voor de hoofdingang aan de Mathenesserlaan. Bij de bouw van de kerk stond pastoor Wreesman een bolwerk van geloof in Romaanse degelijkheid voor ogen en dat idee werd door de architect P. G. Buskens in een geheel eigen stijl uitgewerkt. In de voorgevel, links van de trappen, werd op 11 maart 1950 een grijze gedenksteen onthuld in dankbare herinnering aan Buskens (1872-1939). De voorgevel en het voorste deel van de kerk zijn ontworpen door architect J. P. J. Hendriks. Hem stond bij de constructie het profiel van de Wartburg voor ogen, het kasteel waar de H. Elisabeth in haar huwelijksjaren woonde. Het huis naast de kerk, vroeger van de familie Vrijmoet, moest het tuinhuis van het kasteel voorstellen. Hendriks heeft de zware kasteelgevel echter verlevendigd door tussen het kerkhek en de ingangsdeuren een ruimte te scheppen, de narthex, een idee dat hij ontleend heeft aan een kerk ergens in Frankrijk.
Voordat wij de trappen oplopen, richten wij onze blik even omhoog naar het beeld van de kerkpatrones, de H. Elisabeth, een werk van de firma Leeflang dat in 1924 in de voorgevel werd geplaatst. Nu gaan we de trappen op, door de narthex en door een van de drie hoofddeuren of een van de twee zijdeuren naar binnen. Het interieur is uit gele verblendsteen opgetrokken, de korte bogen rusten op dubbele Beiers-granieten kolommen met hardstenen basement en zandstenen kapitelen.
De kerk heeft de vorm van een Latijns kruis met een lengte van 67 meter, een breedte over het transept (dwarspand) gemeten van 33 meter en een hoogte, met inbegrip van de koepel, van 24 meter.
Zij bestaat uit drie travées, dat zijn gewelfvlakken of ,,moten" waarin het kerkschip in de breedte is ingedeeld door middel van hoge bogen.

2. Het middenschip

We beginnen onze wandeling aan het begin van het middenpad. Aan onze linkerhand zien we tegen de muur een geglazuurd beeldje van de H. Christoffel, een werk dat de Rotterdamse beeldhouwer W. Fritschy in september 1954 voltooide en even verder, tegen dezelfde muur, een groot houten kruisbeeld ter herinnering aan de grote missie (parochiële bekerings- en verdiepingsactie) van het jaar 1908 en later hier geplaatst.
Terug op het middenpad lopen wij in de voorste travée nu ongeveer 12 meter over een tegelvloer die in 1922, bij de voltooiing van de kerk, werd gelegd. Hij sluit aan bij de cementmozaïekvloer van Pichu & Co. te Gent, die van september 1912 dateert.
Bij de afscheiding van de twee vloergedeelten ziet men dus duidelijk tot waar de kerk in 1908 liep.

pag. 10

Kijken wij omhoog dan zien wij, vlak onder het jubee, de namen van de zeven gaven van de heilige Geest in gouden letters uitgeschreven: wijsheid, verstand, raad, sterkte, wetenschap, godsvrucht, vreeze des Heeren. Ze zijn geschilderd door Jan Meily in 1925-'26 evenals de namen van de twaalf vruchten van de heilige Geest die in het middenschip onder de ramen prijken en wel links (met onze rug naar de ingang): zachtmoedigheid, lankmoedigheid, getrouwheid, bescheidenheid, zelfbeheersing, kuisheid (extra grote letters!) en rechts (weer achterin te beginnen): rechtschapenheid; dan volgt een leeg vlak zodat er maar 11 vruchten zijn uitgeschreven; geduld, vrede, blijdschap, liefde. We stonden echter nog op het middenpad in de voorste travée. In het rooster van het gewelf, hoog boven ons hoofd, is de deugd van de Temperantia (matigheid) door een zandloper uitgebeeld. Zij is de eerste van de serie van vier kardinale en drie goddelijke deugden, alweer van Jan Meily uit 1925-'26.
Kijken we bij onze wandeling over het middenpad telkens even langs de gele pilaren omhoog, dan zien wij een serie beelden van verschillende heiligen. Ze zijn in Franse zandsteen uitgevoerd, op één na door J. Th. H. Timmermans uit Den Haag. Achter ieder beeld vermelden wij de datum van plaatsing. Aan het eind van de eerste travée rechts:
H. Franciscus van Assisi (1924; van Leeflang) en links: H. Leonardus van Veghel, één van de martelaren van Gorcum, (februari 1925). In de tweede travée is in het rooster van het gewelf de kardinale deugd van de Prudentia (voorzichtigheid, wijs beleid) gesymboliseerd door een slang (volgens Mt. 10, 16). De H. Agnes, rechts en de H. Tarcislus, links (beide 1921) markeren het eind van de tweede travée. In de derde travée wordt de derde kardinale deugd, de Fortitudo (sterkte) aangeduid door een leeuw. De beelden van de H. Anna (rechts) en van de H. Jozef (links; beide van Pasen 1920) duiden het eind van deze travée aan.
3. Het transept
Het transept of dwarspand van de kerk, wordt in het midden geschraagd door vier pilaren. Tegen elk van hen staat een beeld van een heilige, waarmee de serie van Timmermans wordt voortgezet. Als we met de rug naar het altaar staan, zien we links het beeld van de
H. Joannes Maria Vianney, pastoor van Ars (juli 1926). Op alle vier de zijden van deze pilaar ontdekken wij het embleem van de evangelist Lucas: een gevleugeld rund.
Tegen de rechter pilaar staat het beeld van de H. Alphonsus (juli 1926), dooppatroon van pastoor Wreesman en deze pilaar draagt op alle vier de zijden het embleem van de evangelist Marcus: een gevleugelde leeuw.
Tegenover deze pilaar staat er een met het beeld van St.-Petrus (september 1925) en op de vier zijden is de apostel en evangelist Mateüs aangeduid door een gevleugeld mensenhoofd.

pag. 11

Tegen de vierde pilaar staat het beeld van St.-Paulus (september 1925), terwijl de vier zijden gesierd zijn met de adelaar, symbool van de apostel en evangelist Joannes.
Op het snijpunt van het middenschip en transept bevindt zich, hoog boven ons, een koepelrooster beschilderd door Meily (1926) met in het rond de woorden: ,,Ecce merces vestra copiosa est in coelis'' (Zie uw loon in de hemel is overvloedig). Vanuit deze koepel hangt de grote lampenkroon naar beneden.
In het rooster van het gewelf van de zijbeuk aan de kant van de Robert Fruinstraat bevinden zich Meily's drie goddelijke deugden in één medaillon gevat: Fides (Geloof; het kruis), Spes (Hoop; het anker), Caritas Liefde; het hart). In het rooster van het gewelf van de tegenoverliggende beuk, is de vierde kardinale deugd uitgebeeld: de Justitia (gerechtigheid; de weegschaal). In die zijbeuk zien we rondom de deur, de schilderingen van Jan Dunselman (december 1918) voorstellende de verdrijving van de H. Elisabeth uit de Wartburg na de dood van haar man en het rozenwonder. Boven de deur zien we nogmaals de Wartburg. Aan weerszijden van dit schilderwerk hangen de grote schilderijen die bij de eerste en de tweede statie van de kruisweg horen, eveneens van Dunselman. De
H. Elisabeth, dochter van koning Andreas 11 van Hongarije, werd geboren in 1207
(voor haar doop: zie de doopkapel). Zij werd uitgehuwelijkt aan Lodewijk IV van Hessen, landgraaf van Thüringen, rnet wie zij het kasteel de Wartburg bij Eisenach bewoonde. Zij werd pijnlijk getroffen door de grote tegenstelling tussen de luxe en verkwisting op de Wartburg en de armoede en ellende van het eenvoudige landvolk daarbuiten. Wel liet haar man haar vrij om armen en zieken bij te staan en maakte hij een eind aan de verspillingen op zijn kasteel, maar toch ging haar vrijgevigheid hem soms wel eens wat te ver. Toen zij op zekere dag met een mand brood naar de armen ging, hield hij, teruggekomen van de jacht, haar staande met de vraag, wat er in die mand zat. ,,Rozen'', antwoordde Elisabeth en inderdaad rook Lodewijk een sterke rozengeur en liet haar glimlachend gaan. Dit ,rozenwonder'' wordt op het rechter schilderij uitgebeeld.
Toen Lodewijk gestorven was, werden Elisabeth, haar vier kindertjes en twee dienstmeisjes, door haar zwager van de Wartburg verdreven. Dit ziet men op het linker schilderij. Kort daarna stichtte Elisabeth een ziekenhuis in Marburg waar zij zelf melaatsen verpleegde. Zij sloot zich aan bij de Derde Orde van Sint Franciscus, die toen pas was opgericht en stierf op de jeugdige leeftijd van 24 jaar. Boven dit schilderstuk zien we één van de pronkstukken van deze kerk: het raam van Charles Eyck waarop hij de acht zaligheden ofwel de Bergrede in kleurig glas heeft gebrandschilderd. Het kwam in januari 1948 gereed als feestgave bij het 40-jarig bestaan van de kerk en bij het 12½-jarig ambtsjubileum van pastoor Kerkvliet en het kwam in de plaats van het in de oorlogsdagen van 1944 gesneuvelde raam van Trautwein.

pag. 12

In het bovenste deel van het raam ziet men Christus predikend te midden van zijn leerlingen en daaronder zijn allerlei soorten mensen-in- nood, die door de Heer zalig geprezen worden, uitgebeeld.
Onder dit raam staan, al sinds 1920, vier van de acht zaligsprekingen: de barmhartigen, de zuiveren van harte, de vreedzamen, zij die vervolging lijden.
In het hiertegenover gelegen gedeelte van het transept zien wij rondom de deur naar de Robert Fruinstraat de schilderingen van Jan Dunselman, voorstellende de zorg van de H. Elisabeth voor armen en zieken. Zij dateren van 1922 en hangen tussen de 13e en 14e statie van de kruisweg.
Precies boven de buitendeur wordt uitgebeeld hoe de H. Elisabeth, toen zij werd opgenomen in de Derde Orde van Sint Franciscus, haar kroon aflegde. Daarboven ziet men het andere pronkstuk van de kerk: het gelijkenissenraam van Charles Eyck, onthuld op
17 december 1950 ter vervanging van het in 1944 vernielde raam van Trautwein uit 1932. Alle gelijkenissen in dit raam heeft Charles Eyck ontleend aan het evangelie van Lucas. Boven ziet men Christus onderricht geven tussen degenen die naar hem luisteren en het gaat over de tekst van Luc. 15, 6-7: ,,mijn schaap dat verloren was geraakt, heb ik gevonden.
Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die zich bekeert. . ."
Onder een horizontale balk met bloemmotieven zien wij: links de parabel van het mosterdzaadje (Luc. 13, 19); daarnaast Lazarus en de rijke vrek (Luc. 16, 19-31) en de barmhartige Samaritaan (Luc. 10, 25-37); rechts de verloren zoon (Luc. 15, 11-32) waarbij helemaal rechts duidelijk de boze oudste zoon te herkennen is. Onderaan: de verloren drachme (Luc. 15, 8-10), het verloren schaap (Luc. 1.5, 4-7) en helemaal rechts onder: nogmaals het mosterdzaadje, maar nu met verwijzing naar Luc. 17, 5-6. Onder dit raam staan in gouden letters nog vier van de acht zaligsprekingen: de armen van geest, de zachtmoedigen, zij die weenen en zij die hongeren en dorsten, maar die dateren al van 1920.

4. De Heilig Hart Kapel

Rechts van het hoogaltaar in de zijbeuk aan de pastoriezijde, bevindt zich sinds 3 juni 1911 het zijaltaar van het Allerheiligst Hart van Jezus. In 1912 werd hier de mozaïekvloer van Pichu & Co te Gent gelegd. Juist voor het veertigurengebed op 16, 17 en 18 februari 1917, voltooide Jan Dunselman het schilderwerk van deze kapel.
Pastoor Wreesman tekent hierbij aan: ,,De predikatiën (gedurende dit veertigurengebed)

pag. 13

werden op schitterende wijze gehouden door de Wel Eerw. Heer J. W. M. de Jonge, die achtereenvolgens behandelde: ,Adoro Te" (ik aanbid U); ,,Verbum Supernum" (het Woord dat van boven kwam) en ,,Lauda Sion". Gekomen bij de woorden: ,,Panis vivus et vitalis, hodie proponitur" (het levende en levenbrengende Brood wordt ons vandaag voorgehouden) hield hij plotseling op, zonk ineen, werd naar de sacristie gedragen en na het ontvangen van het H. Oliesel stierf hij den dood der rechtvaardigen".
In de koepel van de toegangspoort tot de kapel zijn links bovenin uitgebeeld Jezus' woord: ,,laat de kleinen tot Mij komen" en rechts: Jezus en de H. Margareta Maria Alacoque die in de 18e eeuw de devotie tot het heilig Hart bevorderde. Op de triomfboog staat links de Goede Herder met het verloren schaap: ,,mijn schaap dat verloren was geraakt, heb ik gevonden" (Luc. 15, 6) en rechts de verloren zoon: ,,deze  zoon van mij was verloren en is teruggevonden" (Luc. 15, 24). Tussen beide voorstellingen in, bovenaan, leest men de woorden van Joh 13, 1: Cum dilexisset suos qui erant in mundo, in finem dilexit eos" (Jezus die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe).
Op de tombe van het altaar staan de woorden: ,,Cor Jesu miserere nobis" (Hart van Jezus, ontferm U over ons) en boven het tabernakel staat het Cararisch marmeren beeld van het Allerheiligst Hart met engelen aan zijn voeten, in mei 1911 opgeleverd door de beeldhouwer A. J. Margry. Links van het beeld staan, van links naar rechts, uitgeschilderd: de vrouw die Jezus' voeten met haar tranen nat maakte en met haar haren afdroogde; Joannes naast Jezus aan het Laatste Avondmaal; Petrus' ontmoeting met Jezus na de Verrijzenis
(,,Petrus bemint ge Mij?") en rechts van het beeld achtereenvolgens:
Jezus met de ongelovige Thomas; met Martha en Maria; met de Samaritaanse vrouw, elke afbeelding met de bijbehorende Bijbeltekst in het Latijn eronder.
Boven het altaar, in de koepel van de kapel, Christus aan het Kruis met de soldaat die Zijn zijde doorstak, Maria en Joannes.
Op de rechtermuur staan de beloften van Jezus aan de H. Margaretha Maria en bevinden zich twee raampjes met zonnebloemen.

5. De Lourdeskapel

Links van het hoogaltaar in de andere zijbeuk, bevindt zich de kapel van Onze Lieve Vrouw van Lourdes. De mozaïekvloer werd er gelijk met die van de H. Hartkapel in 1912 ingelegd. In november1904 had pastoor Wreesman zelf een wit marmeren beeld geschonken voorstellende O.L. Vrouw van Lourdes van wie de pastoor een vurig vereerder was. Dit beeld heeft aanvankelijk in een imitatieLourdesgrot in de kerk gestaan totdat dit altaar op 11 februari 1916 voltooid was. De beschildering van de kapel door Jan Dunselman was al op 8 december 1915 gereed.

pag. 14

Het altaar is door de beeldhouwer Jac. Sprenkels te Rotterdam vervaardigd in marmer en Los Angelessteen.
De retabel boven de altaartafel beeldt links, in reliëf, de H. Bernadette de Soubirous uit, geknield voor de Onbevlekt Ontvangene en rechts paus Pius IX met de bul ,,Ineffábilis Deus" in zijn hand, met het jaartal 1854 waarin hij het leerstuk van Maria's Onbevlekte Ontvangenis afkondigde. Dit dogma houdt in dat Maria, op grond van de toekomstige verdiensten van Christus' kruisdood, reeds vanaf het moment dat zij werd ontvangen in de schoot van haar moeder Anna, door een bijzonder voorrecht gevrijwaard bleef van de smet van de erfzonde.
Boven deze taferelen ziet men engelen waartussen de kopjes van twee meisjes, Jo en Jeanne van Staay, zijn gebeeldhouwd. Het beeld zelf staat onder een verguld baldakijn, waarop de woorden die Bernadette in 1858 in Lourdes hoorde:
,,Je suis l'immaculée conception" (Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis).
Op de altaartombe is een sacramentsprocessie met ziekenzegening in Lourdes weergegeven en met name het wonder dat de invalide en zieke Franse spoorwegingenieur Gargan op 20 augustus 1901 na de ziekenzegen genezen bleek te zijn. De vader van de pastoor, de heer D. A. Wreesman (met baard), was toen de brandardier van Gargan en deze afbeelding is gemaakt naar een authentieke foto van de dag van dit wonder.
Verder zijn op dit reliëf te zien: pastoor Wreesman die de monstrans draagt,
de kapelaans J. W. M. de Jonge (1913 tot zijn plotselinge dood in 1917),
W. J. Pompe (1914-1929), J. J. Vollering (1912-1918) en A. L. Kortekaas (1910-1915 en in dat jaar op 31-jarige leeftijd overleden aan pleuritonitis); voorts de dochter van de beeldhouwer Jac. Sprenkels (helemaal links); mevrouw van Staay (met hoed); de architect P. G. Buskens en de steenhouwer P. J. Simonis.
Op de voorste zuilen van het portaal vóór de triomfboog ziet men, links, Eva die de appel aanreikt aan een onzichtbare Adam, want hij staat precies om de hoek van deze zuil en, rechts, Adam en Eva die uit het paradijs verdreven worden door een onzichtbare engel met vlammend zwaard, die ook weer om de hoek staat. Aan de binnenzijde van het portaal staat, recht boven ons hoofd de tekst ,,electa ut sol" (uitverkoren als de zon) en links daarvan de sibylle van Cumae die in het grote gedicht van de Latijnse dichter Virgilius aan Aeneas de toekomst openbaarde en daarnaast Isaïas (Jesaja), met daaronder de boodschap van de Engel Gabriël aan Maria en de eerste helft van de Latijnse tekst van het
,,Wees gegroet".
Het gebruik om de komst van de Verlosser, behalve door Bijbelse profeten, ook door heidense profetessen (sibyhen) te laten voorzeggen, stamt uit de Renaissance en Dunselman doet hiermee hetzelfde als wat Michelangelo heeft gedaan in de Sixtijnse kapel van het Vaticaanse paleis.

pag. 15

Op het portaal vlak er tegenover staan de profeten Daniël, die de precieze tijd van Jezus' geboorte heeft aangekondigd en Micheas
(Micha) die de juiste plaats daarvan heeft geprofeteerd.
Daaronder de geboorte van Christus en de tweede helft van het ,,Ave Maria".
Op de triomfboog zelf staan de woorden: ,,Tota pulchra es Maria et macula non est in te" (geheel schoon zijt gij Maria en de smet van de erfzonde rust niet op U), met direct onder deze tekst links de aanroeping ,,Virgo virginum" (maagd der maagden) en rechts
,,Sancta Dei genitrix" (heilige moeder Gods).
Binnen het booggewelf staan nog zeven andere aanroepingen, evenals de twee reeds genoemde, uit de litanie van Maria genomen en elk voorzien van een uitbeelding van de titel waarmee Maria wordt aangeroepen: van links naar rechts ,,Vas honorabile" (eerwaardig vat); ,,Rosa mystica" (mystieke roos); ,,Foe- deris arca" (ark van het verbond); ,,lanua coeli" (deur van de hemel); ,Domus aurea" (gouden huis); ,,Speculum sine macula" spiegel zonder smet) en ,,Turris eburnea" (ivoren toren).
Boven het altaar, links van het beeld, staan schilderingen die voorstellen (van links naar rechts): koningin Esther; aanbidding van de Wijzen; Madonna met Kind en rechts van het beeld achtereenvolgens: Maria met de gestorven Jezus op haar schoot; Maria met Joannes onder het kruis; Judith, allemaal met de bijbehorende Bijbelteksten in het Latijn eronder. Helemaal boven, in de concha of koepel van de kapel: de kroning van Maria in de hemel.
In de zijmuur twee (zwaar beschadigde) raampjes die Maria's verschijning in Fatima voorstellen.
Zij werden gemaakt door J. Stroucken te Rotterdam en dateren van juni 1947.
Zeer merkwaardig is, boven de deur in deze muur, het blauwe Mariazegel met de Griekse letters. Dergelijke afbeeldingen kwamen al in de eerste eeuwen van het Christendom voor. Het zegel werd op 8 december 1915 aangebracht en de letters zijn een afkorting van de Griekse bede: ,,theotokè boèthè" dat is: Moeder van God, help ons.

6. Het priesterkoor

Wij gaan nu eerst naar het oude priesterkoor en zien hier een marmeren vloer met mozaïekranden, geleverd door P. J. Simonis en M. Storni te Rotterdam bij gelegenheid van het zilveren priesterfeest van pastoor Wreesman op 15 augustus 1913.
In mozaïek staan uitgebeeld, links, half bedekt door het podium van de Bisschoppelijke zetel, het familiewapen van pastoor Wreesman en op dezelfde hoogte rechts, dat van de H. Elisabeth. Tussen die twee wapens in, iets meer naar voren, zijn de vier elementen uitgebeeld waaruit, volgens de oude Griekse natuurfilosofen, de wereld is opgebouwd: water, aarde, lucht en vuur.

pag. 16

Het water wordt weergegeven door een vis, maar die is onzichtbaar onder de tegenwoordige preekstoel; rechts daarvan wordt de aarde gesymboliseerd door een olifant, de lucht door een duif, het vuur door een soort draak. In een halve cirkel rond het priesterkoor zien we van rechts naar links, achter het oude altaar omlopend, de zeven hoofdzonden: de traagheid (een slak); de gramschap (een egel); de gulzigheid (een vos);
de nijd (een fabeldier); de onkuisheid (het symbool was een beer, maar zowel de onkuisheid als de beer zijn verdwenen om plaats te maken voor een verwarmingsrooster); de gierigheid (een wolf) en de ijdelheid (een pauw).
Het marmeren hoogaltaar met hardstenen treden en basementen en de dubbel gesmede tabernakelkast werden in 1908 gemaakt door Jan Brom in Utrecht. Het altaar werd tot 1964 overhuifd door een baldakijn of ciborium dat tijdens het veertigurengebed op 23 februari 1911 was onthuld. Het kwam toen uit de kerk van de paters Redemptoristen in Roosendaal en het zou hier tijdelijk dienst doen in afwachting van een definitief baldakijn. Dit ciborium riep een vage herinnering op aan bepaalde Romeinse kerken, met name aan de Sint-Pieter en het droeg, met gloeilampjes verlicht, bij tot de feestelijke aanblik van het priesterkoor op hoogtijdagen en plechtige momenten. Toch belemmerden de zuilen waarop de overkapping rustte, vanuit bepaalde hoeken van de kerk, het zicht op het altaar en in latere jaren voldeed het niet meer aan de veranderde smaak; er werden zelfs vergelijkingen gemaakt met een carrouseltent op een kermis. Bovendien was het in de loop van de tijd erg wankel geworden met groot gevaar voor kortsluiting. Begin oktober 1964 werd het apparaat in twee dagen neergehaald. Het bleek te bestaan uit gips en houtwerk en pastoor Grimbergen constateerde in zijn logboek dat het, na 53 jaar ,,voorlopigheid'' hier en + 20 jaar in Roosendaal, definitief had afgedaan.
Een feit is zeker dat de schildering in de absis, voorstellende het Laatste Avondmaal, een werk van Jan Dunselman dat in 1929 onder pastoor Querelle gereed was gekomen, nu duidelijk zichtbaar is geworden.
Aan dat breekwerk was trouwens wel het een en ander voorafgegaan. Op 4 december 1963 was de Constitutie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaanse Concilie, door paus Paulus VI afgekondigd. Aan de eisen die de vernieuwde liturgie stelde, voldeed het oude altaar niet meer. Het 60-jarig bestaan van de parochie in 1964 werd aangegrepen om op voortvarende en deskundige wijze de oude kerk bij-de-tijd te brengen.
Op 31 mei van dat jaar startte, als begeleiding van het zilveren priesterfeest van pastoor Grimbergen dat op 7 juni gevierd zou worden, een bliksemactie tot vorming van een altaarfonds. In augustus d.a.v. kreeg het architectenbureau Van den Bosch, Hendriks en Campmann opdracht een schetsplan te maken voor de altaarvernieuwing.
Op 25 september keurde de Liturgische Commissie dit plan goed.
De vicaris-generaal (Mgr. A. C. Schaaper, kapelaan van de St.-Elisabethkerk van 1929 tot 1937) stelde het maximum van de begroting op f 75.000,.         

pag. 17

Op 1 oktober 1964 gaf het kerkbestuur de aannemer W. Franken opdracht tot de reconstructie van het liturgisch centrum in de kerk. Op 4 oktober, de dag van het Aanbiddingfeest, volgde een tweede bliksemactie en op 9 november de derde en laatste.
De week van 15-22 november, rondom het feest van de H. Elisabeth, was een feestweek onder het motto: ,,de tafel waarvan wij leven". Hierbij werd in het licht gesteld hoe het altaar het middelpunt is van liturgie en leven. Het nieuwe altaar was toen gereed en het was komen te staan op het snijpunt van middenpad en transept. Om het daar te kunnen plaatsen moesten de voorste banken naar de zijbeuken worden omgezet. Ook moest de marmeren vloer van het priesterkoor naar voren worden doorgetrokken. Op een zwart marmeren vloer, omgeven door een iets lager gelegen platform van grijze plavuizen, kwam de wit marmeren offertafel te staan. De gelovigen kunnen hier aan drie kanten omheen zitten en de priester kan de Eucharistie vieren ofwel gericht naar het middenschip ofwel naar een van de zijbeuken. Voordien bevond zich in de concha (schelp of koepel) van het priesterkoor een schildering op linnen, voorstellende Christus Koning temidden van aanbiddende engelen en heiligen met erboven het ,, Christus vincit, Christus regnat, Christus imperat". Op deze schildering sloeg de tekst die rondom in het priesterkoor de lof van Christus Koning verkondigt: ,,Sedenti in throno et agno benedictio et honor et gloria et potestas" (Apocalyps 5, 13) (Aan Hem die gezeten is op de troon en aan het Lam zij de lof en de eer en de roem en de kracht). Deze tekst staat tussen de Griekse letters Alfa en Omega.
Aangezien deze schildering, die tijdens pastoor Querelle kort na 1930 werd aangebracht, onherstelbaar door salpeter was aangetast, werd zij verwijderd. De concha werd wit geschilderd, maar de tekst ,,Sedenti in throno" is blijven staan. Ook de vlakken onder de gebrandschilderde ramen werden wit getint, terwijl hier vroeger schilderingen zijn geweest en er heel in het begin zelfs wapenschilden hebben gehangen. Op 22 november 1964 kon voor het eerst de Eucharistie in de landstaal worden gevierd aan het nieuwe altaar dat door pastoor L van de Gent van de toenmalige kathedraal aan de Westzeedijk was geconsacreerd. Het oorspronkelijke altaar bleef staan als rustplaats voor het oude tabernakel met zijn koperen deuren die er in 1927 door Van Roosmalen uit Utrecht omheen waren gesmeed en voorzien van het opschrift EMMANUEL (God met ons) en van symbolen van de Eucharistie. Het beeldhouwwerk rondom het priesterkoor, dat in 1920 gereed gekomen was, bleef gehandhaafd evenals het koperen altaarkruis van Van Roosmaalen, in februari 1923 op het tabernakel geplaatst tussen twee herten die hun dorst lessen aan de waterbronnen die van de kruisheuvel stromen.
Het werd in 1964, zonder die herten, hoog achter in de absis gehangen.

pag. 18

Boven in het priesterkoor treffen ons de warme kleuren van de ramen van de glazenier Henk Asperslagh uit Voorburg. Deze zijn in de plaats gekomen van de door het oorlogsgeweld vernielde ramen van P. G. Duchâteau en Zonen te Schiedam die in 1929/30, onder pastoor Querelle, waren geplaatst. Het eerste van de Asperslaghramen werd er op 26 juli 1945 in gezet en in maart 1946 waren zij alle negen gereed. Het middelste raam onder stelt de boom des doods voor: Adam en Eva eten van de boom van kennis van goed en kwaad, hetgeen Jahweh hun uitdrukkelijk had verboden en daarom werden zij uit het paradijs verdreven. Daarboven hangt Christus aan het kruis (de boom des levens), met Maria en Joannes eronder. Door Zijn gehoorzaamheid aan de wil van de Vader, heeft Jezus het paradijs weer toegankelijk gemaakt.
Uitgaande van deze middelste ramen zien wij naar rechts gaande bovenaan achtereenvolgens de wonderbare broodvermenigvuldiging; de opwekking van de gestorven jongen van Naïm; de uittocht van de joden uit Egypte; de drie jonge mannen in de vuuroven en daaronder weer van het midden naar rechts: het offer van Melchisedek, koning en priester uit de tijd van Abraham; Jozua en Kaleb keren met een druiventros van hun verkenningstocht in Kanaän terug; Daniël in de leeuwenkuil en Jonas komt uit de buik van het zeemonster.
Gaan we van het middelste raam naar links, dan zien wij bovenaan de Emmaüsgangers; de bruiloft van Kana; Jozef en zijn broeders; Noach (Noë) en zijn zonen en daaronder, weer van het midden naar links: Abraham offert Isaäk; Mozes slaat met zijn staf water uit de rots; Mozes toont het manna waarmee de joden in de woestijn gespijzigd zouden worden; Samson (Simson) verscheurt met zijn handen een leeuw alsof het een geitebokje was en treft enige tijd later in het kadaver van de leeuw een bijenzwerm en honing aan.
Al deze voorstellingen staan in een min of meer verwijderd verband met de Verlossing door Christus, met Zijn Verrijzenis of met het Eucharistisch Offer.
Binnen het priesterkoor staat, links tegen de pilaar, op een podium de kathedra of leerstoel van de bisschop. Rechts onder in deze pilaar is de eerste steen van de kerkbouw op 23 april 1907 ingemetseld. Rechts, voor in het priesterkoor, staat een wit marmeren beeld van de H. Maagd Maria dat onder pastoor Querelle, waarschijnlijk in 1933, is verworven. Op 8 december 1954, het Mariajaar, werd Maria met een zilveren kroon gekroond. In september 1955 kreeg het Jezuskind eveneens een zilveren kroontje.
Tegen de pilaar hier vlak bij staat een beeld van de H. Elisabeth dat al in 1904 door een onbekende gever werd geschonken.

pag. 19

Rest ons nog te vermelden dat omstreeks 1930 ook de handgeknoopte Smyrnatapijten in het priesterkoor kwamen te liggen.

7. De grote ramen van Asperslagh

Wij gaan nu de acht gebrandschilderde ramen bekijken die de glazenier Henk Asperslagh uit Voorburg in transept en middenschip tussen de jaren 1947 en 1952 heeft aangebracht ter vervanging van de in 1941 gesneuvelde ramen.

Met de rug naar het altaar staande zien wij rechts, dus precies tegenover het Lourdesaltaar het Apolloniaraam. De H. Apollonia, een vrouw van middelbare leeftijd uit Alexandrië in Egypte werd onder de Romeinse keizer Decius, in het jaar 265, veroordeeld (linkerpaneel), haar tanden werden uitgetrokken (rechterpaneel) en zij kwam op de brandstapel (drie middelste ramen). In de bovenste halve cirkel staat de zegevierende Apollonia tussen twee engelen waarvan er één een opengeslagen boek toont. Tekst: ,,Zalig de armen van geest want hun behoort het rijk der hemelen".

Weer met de rug naar het hoofdaltaar zien wij links, dus precies tegenover het
H. Hartaltaar, het Laurentiusraam. De H. Laurentius, diaken van paus Sixtus ll, werd in het jaar 258 ter dood gebracht door verbranding op een rooster. Op de middelste drie ramen ziet men deze gebeurtenis uitgebeeld; op de achtergrond de stad Rome waar Laurentius gemarteld werd. Op het linkerraam overhandigt paus Sixtus II zijn diaken (gekleed in rode dalmatiek) een geldbuidel want het was de taak van een diaken geld aan de armen uit te delen. Op het rechterraam geeft de paus Laurentius een kelk want een diaken mocht (en mag nog steeds) de celebrant assisteren tijdens de viering van de Eucharistie en ook de heilige Communie uitreiken.
In de bovenste halve cirkel bedeelt Laurentius de armen. Hier staat ook de tekst:
,,Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid want zij zullen verzadigd worden".
In de horizontale balk tussen beide raamgedeelten, middenin tussen bloemmotiefjes, het wapen van Rotterdam. De heilige Laurentius is immers de patroon van onze stad en sinds 1956 ook van ons bisdom, maar toen dit raam op 19 november 1951 werd geplaatst, bestond het bisdom Rotterdam nog niet.

Wij wandelen nu door het middenpad. Het eerste raam links is het Bonifaciusraam. De afbeelding is zonder meer duidelijk: Bonifacius wordt in 754 te Dokkum vermoord omdat hij de heilige eik van de heidense Friezen had omgehakt. 'Men ziet hoe de 86-jarige bisschop

pag. 20

en missionaris de bijlslagen tracht af te weren met een evangelieboek. In de bovenste halve cirkel reiken twee engelen Bonifacius elk een krans en een palm van de overwinning aan.
De tekst luidt: ,,Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid want hun behoort het rijk der hemelen".
Tussen beide raamgedeelten ziet men de wapens van Friesland (twee leeuwen), van Utrecht (rood-wit) en van Dokkum (halve maan en drie sterren).
Het opschrift leert ons: ,,geen kwaad met kwaad vergelden, maar goed doen voor het kwaad dat men ons berokkent".

Het eerste raam rechts is het Don Boscoraam.
De voorstelling van Don Bosco (1815-1888) te midden van zijn jongens met de stad Turijn op de achtergrond, spreekt voor zich zelf. In de bovenste halve cirkel zien wij Don Bosco en zijn moeder Margaretha, die haar zoon krachtig ter zijde heeft gestaan bij zijn werk. Zij richten zich biddend tot Maria, Hulp der Christenen, onder welke titel de H. Joannes Bosco Maria bij voorkeur vereerde.
De tekst zegt hier: ,,Zalig de zachtmoedigen want zij zullen het land beërven"
In de horizontale band tussen beide raamgedeelten zien wij, tussen andere bloemmotieven, de drie evangelische raden uitgebeeld: gehoorzaamheid (zonnebloemen), zuiverheid (lelie) en armoede (distel).  

Het tweede raam aan de linkerkant is het Gerardusraam.
Gerardus Majella, broeder in de orde van de Allerheiligste Verlosser (ofwel van de Redemptoristen; de stichter was de H. Alphonsus), leefde van 1726-1755 in en bij Napels. De drie middelste panelen geven Gerardus weer, zittend op een wit paard waarvan de staart, anatomisch heel merkwaardig, uit de rechterbil komt. Gerardus richt zich bezwerend tot een man met een rode narrekap op het hoofd, misschien de duivel die hem wil tegenhouden of een door de duivel bezetene. Op de zijpanelen ziet men broeder Gerardus brood uitdelen aan de kloosterpoort en bidden met de mensen.
In de bovenste halve cirkel wordt de heilige Drievuldigheid weergegeven.
De tekst luidt: ,,Zalig de barmhartigen want zij zullen barmhartig behandeld worden".  

Het tweede raam rechts is het Willibrordraam.
Sint Willibrord en zijn metgezellen landden in het jaar 690 in onze streken. Op de achtergrond ziet men hun schip in zee liggen.
Eén van Willibrords gezellen draagt een rode vlag met het opschrift: ,In nomine Dominum", waaruit blijkt dat het Latijn van deze ler (of van Asperslagh) niet zo sterk was; ,,in nomine Domini” betekent: in de naam des Heren.

pag. 21

Een man en een vrouw met een schop in de hand luisteren naar de met een bisschoppelijk borstkruis getooide evangelie- prediker.  
In de halve cirkel er boven staat Willibrord nogmaals, nu in bisschoppelijk ornaat, geflankeerd door de hofmeier Pepijn II die zijn missiewerk  heeft begunstigd en gesteund (links) en door paus Sergius I die op 23 november 695 Willibrord in Rome tot bisschop wijdde (rechts).  
De tekst luidt: ,,Zalig de vredestichters want zij zullen zonen van God geheten worden".
In de horizontale rand tussen beide raamgedeelten, tussen decoratieve bloemmotieven, zien we middenin het rood-witte wapenschild van Utrecht, de bisschopsstad van de heilige; links Sint Maarten, de patroon van het eerste kerkje dat Willibrord in Utrecht bouwde en rechts de Nederlandse leeuw.
 
Het derde raam links is het Liduinaraam.
We zien de H. Liduina (1380 1433) op haar ziekbed liggen terwijl zij de heilige wondetekenen (stigmata) van Christus ontvangt. Haar engelbewaarder, met wie zij zeer vertrouwelijk omging, staat terzijde. Links zit de heilige man Job op de mesthoop, rechts Christus in de  Hof van Olijven, als toonbeelden van geduldig gedragen lijden.
In de bovenste cirkel staat wederom Liduina, nu door Jezus in Zijn heerlijkheid binnengeleid en tussen hen in, de volbloeide rozelaar. Liduina wist dat zij zou sterven wanneer de rozestruik in haar tuin vol ledig in bloei zou staan.
De tekst luidt: ,,Zalig die wenen want zij zullen getroost worden"  
In de horizontale band: lelies (reinheid), passiebloemen (lijden) en het  wapen van Schiedam.  

Rechts zien wij ten slotte het Sint Annaraam.  
Het huwelijk van Joachim en Anna, zo vertelt de legende, was lange tijd kinderloos gebleven. Van schaamte en verdriet hierover had Joachim zich in de bergen teruggetrokken bij zijn kudden en Anna bleef  eenzaam thuis achter. Toen kregen de echtgenoten allebei een visioen  van een engel dat zij weldra een kind zouden krijgen. Wel moesten zij beloven dit kind zo spoedig mogelijk als tempelmaagd aan God te zullen afstaan.
Het rechterraam beeldt uit hoe de engel aan Anna de geboorte van een kind aankondigt.
Het linkerraam toont Joachim en Anna bij de Gouden  Poort in Jerusalem en, zoals de legende zegt, ,,uit hun zuivere kus werd Maria ontvangen".
De drie middelste ramen laten zien hoe Joachim (met schapen) en Anna de driejarige Maria in de tempel opdragen. Kwiek loopt het kleine meisje de tempeltrappen op, de hogepriester tegemoet.
In de halve cirkel bovenin staat in het midden de groep genaamd Sint- Anna-te-Drieën

pag. 22

(Anna, Maria en Jezus) met aan weerszijden Maria  Kleophas en Maria Salome, die volgens de legende dochters zouden  zijn uit respectievelijk Anna's tweede en derde huwelijk.
De tekst luidt: ,,Zalig de zuiveren van harte want zij zullen God zien"  In de horizontale band staan een aantal namen die ontleend zijn aan  de Latijnse tekst van Lucas 3, 25-38, waarin de stamboom van Jezus  Christus wordt opgegeven. Van links naar rechts lezen we de namen  van Juda en Elmadam; van Joachim en Nahum; Jesse, de vader van  David
(zijn hoofd staat midden in de band geschilderd); daarna David  en zijn zoon Nathan en ten slotte Neri.

8. De gangpaden

a. De Kruisweg

Voordat wij onze wandeling door de gangpaden beginnen, moeten we er aan denken dat in en naast de verschillende zijkapellen de grote  schilderijen van Jan Dunselman hangen bij elk van de kruiswegstaties.  Ze zijn geschilderd tussen de jaren 1915 en 1926 en men dient ze los  te zien van de schilderingen, ramen of opschriften die ernaast of erboven in de zijkapellen zijn aangebracht. Zo zagen wij al dat de schilderingen over het leven van de
H. Elisabeth ingelijst worden door respectievelijk de 1ste en 2e en de 13e en 14e statie.

b. De kapel van Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand.

Vroeger hing er een reproductie van de ikoon van O.L. Vrouw  van Altijddurende Bijstand hoog tegen een pilaar boven de oude preekstoel. Deze is bij de altaarreconstructie van 1964 op de tegenwoordige  plaats terecht gekomen, tegen een niet meer gebruikte biechtstoel.  Deze kapel was vroeger een biechtkapel. De tweede voormalige biechtstoel is nu een berghok. In de kapel zijn een aantal heiligen geschilderd in kleine nissen en wel boven de 8ste statie Barbara, Liduina en Apollonia en boven de 9e statie Rochus, Cornelius en Blasius.
Dergelijke raampjes zitten ook in het vooruitspringende muurgedeelte  tussen deze kapel en de volgende en wel, boven de 10e statie de heiligen Jeroen, Bonifacius en Bavo en boven de 11e statie de heilige  Gebroeders Ewald, Willibrord en Adelbert.

c. De Don Boscokapel  

De 12e statie met twee opschriften op de muren en de raampjes  boven het schilderij in de nissen met Pilatus, de gemartelde Christus  (,,Ecce homo", ziet de mens) en de tierende joden, hebben niets met  Don Bosco te maken. In deze kapel heeft zich altijd de biechtstoel van  de pastoor bevonden. Daar tegenover staat het metaalplastiek van de gebroeders Jan Eloy en Leo Brom uit Utrecht voorsteIIende de H. Joannes Bosco met een van zijn pupillen.

pag. 23

Het staat op een travertijn marmeren voetstuk van G. Simonis te Rotterdam. In het gewelf is een  gebrandschilderd raampje met een brandend hart en een miskelk waaromheen het gebed van Don Bosco: ,,Geef mij zielen. Neem al het andere weg".  
Pastoor Kerkvliet had een grote verering voor de H. Joannes Bosco,  de sympathieke priester uit Turijn, die zoveel gedaan heeft voor de  verwaarloosde jeugd en die twee kloostercongregaties heeft gesticht: de Salesianen van Don Bosco en de zusters van Don Bosco.  Op 1 april 1934 werd Joannes Bosco door paus Pius XI heilig verklaard  en op 31 januari 1938, de vijftigste verjaardag van Don Bosco's overlijden, begon pastoor Kerkvliet een actie voor een beeld van de  nieuwe heilige. Op 23 januari 1940, de eerste dag van de Don Bosconovene van dat jaar, kon het beeld worden onthuld en gewijd door  Mgr. Paolo Giobbe, pauselijk internuntius in Den Haag, die dikwijls actief deelnam aan grote plechtigheden in onze kerk.

d. De doopkapel

Op 1 december 1915 werd als eerste kind in de tegenwoordige doopvont gedoopt Joannes van Meel, wiens ouders bij gelegenheid van de  geboorte van deze zoon, een nieuwe doopvont hadden geschonken ter  vervanging van de oude, koperen tweedehands vont uit 1904.  
Het hardstenen bekken werd geleverd door P. J. Simonis te Rotterdam  en de koperen deksel werd ontworpen door Jan Brom en na zijn dood uitgevoerd door zijn zoons Jan Eloy en Leo. Op die deksel staan vier gedreven panelen met de vier paradijsstromen: Eufraat, Tigris, Phison  en Geon. Op de rand staat in het Latijn: ,,Onderwijst alle volken en  doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest"  (Mt. 28, 19). De deksel kan opzij geschoven worden door een gesmeed ijzeren arm.  
Het schilderwerk in de kapel is van Jan Dunselman die ook het rozet  ontwierp in de koepel, door De Vos en Van Straaten in Utrecht uitgewerkt in glas-in-lood. Het stelt voor hoe bij de doop, evenals bij die  van Jezus in de Jordaan door Joannes de Doper, ,,de heilige Geest in  lichamelijke gedaante als een duif", over de dopeling neerdaalt. De  Geest Gods, in het Hebreeuws de adem van Jahweh genoemd, wordt uitgebeeld in het klapwieken van een duif waardoor een kleine luchtverplaatsing ontstaat, een adem, een wind die bij de dopeling als het  ware naar binnen wordt geblazen.
Op de achtermuur schilderde Dunselman de Verrezen Christus tussen  twee engelen met, in het Latijn, de tekst: ,,door de doop in Zijn dood  zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de macht  van Zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven zouden leiden" (Rom. 6, 4). Boven de deur naar de pastorie worden deze gedachten uitgebeeld. Men ziet Jezus' doop door Joannes (links); de engel met de vrouwen bij het lege graf van de Heer (boven de deur) en de doop van de H. Elisabeth te Presburg in het jaar O(nzes) H(eren) 1207 (rechts).

pag. 24

Op de linkerzijmuur een goudkleurige cirkel met de woorden: ,,Sanctus,  Sanctus, Sanctus" en daarbinnen een kleinere cirkel waarin drie elkaar snijdende cirkels het Goddelijk wezen aanduiden met de woorden:  ,,Pater, Filius, Spiritus- -Deus--Trinitas": Vader, Zoon en Geest zijn  alle drie God en vormen de Drie-eenheid.
Daaronder een fonteintje met oud-Hollandse tegeltjes die geen nadere uitleg nodig hebben.
Op de rechtermuur een goudkleurig Christusmonogram met de eerste  en de laatste letter van het Griekse alfabeth, alfa en omega, volgens  de woorden van de Apokalyps (22, 13):
,,lk (Christus) ben de Alfa en  de Omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde".  Daaronder: ,,Unus Deus, Una Fides, Unum Baptisma", één God, één Geloof, één Doop (Ef. 4, 5).  
De doopkapel kan worden afgesloten met een blauw gesmeed ijzeren  hek van twee deuren.

e. De voormalige Sint-Jozefkapel

Recht tegenover de doopkapel bevond zich tot 1964 de Sint-Jozefkapel.De raampjes hierin waren, zoals alle raampjes in deze muur, in 1930  door Karel Trautwein te Haarlem gemaakt en stelden voor de Opdracht van Jezus in de tempel en de H. Anna. Toen in de eerste maanden van het jaar 1964 de nieuwe kerkverwarming geïnstalleerd werd (de vierde na die van 1909, 1939 en 1954), moest de verwarmingsketel op deze plaats komen. Op 1 maart 1964 was het werk klaar en  werd de kapel afgesloten. Het houten beeld van Sint-Jozef, een werk  van Jan Brom, werd in een nis in de muur geplaatst op tekening van  de architect
W. Willemsen.   

f. De Sint-Antoniuskapel

In deze kapel hangt het schilderij behorende bij de 3de kruiswegstatie. Op het altaar staat een St. Antoniusbeeld van Jac. Sprenkels. Op 14 juli 1947 kwamen, ter vervanging van de door het bombardement van 1941 vernielde Trautwein-raampjes, de drie raampjes ontworpen en gebrandschilderd door A. Th. J. Stroucken te Rotterdam in de  buitenmuur.
Zij stellen het ezelwonder voor, dat is het verhaal hoe de  H. Antonius van Padua een ketter, die niet geloofde in de waarachtige tegenwoordigheid van Christus onder de gedaanten van Brood en Wijn,  tot inkeer bracht door een monstrans met de heilige Hostie aan een  ezel voor te houden. Het dier knielde en de ketter bekeerde zich. Tegenover het altaar bevindt zich een biechtstoel.  Tussen de Sint Antoniuskapel en de volgende ziet men, boven de 4e  en 5e statie twee triptieken van Asperslagh die op 23 augustus 1947 werden geplaatst, alweer ter vervanging van Trautwein-ramen uit 1930. Zij stellen Sint Joris als patroon van de mannelijke jeugd en de H. Jeanne d'Arc als patrones van de vrouwelijke jeugd voor.

pag. 25

g. De biechtkapel

In deze kapel bevinden zich de 6e en 7e statie van de kruisweg. Ze zijn na het bombardement van 1941 gerestaureerd door een leerling  van Dunselman. Boven de schilderijen laten twee triptieken van Asperslagh daterend van Kerstmis 1948, het
H. Bloedwonder van Boxmeer (links) en het Mirakel van Amsterdam (rechts) zien.
Tegenover deze kapel is een zuil aangebracht ter nagedachtenis aan  het bombardement van 3 oktober 1941. Precies een jaar later werd hij onthuld door Mgr. dr. J. Witlox en hij draagt de beeltenissen van de H. Theresia van Lisieux (op haar feestdag had de ramp plaats gevonden)  en van de H. Gerardus Majella (de Patroonheilige van pastoor  Kerkvliet). Theresia houdt een boek in haar handen met haar spreuk: ,,Men stelt  nooit te veel vertrouwen op God die zo goed en barmhartig is" en  aan haar voeten staat een vaas met rozen. Gerdardus draagt het kruis  en verbergt een slang die de zonde verbeeldt.
Op een derde zijde wordt de door de bom weggeslagen en daar ingebouwde kerkpilaar herdacht met de woorden ,,et ego cecidi" (ook ik  ben gevallen) en daarboven de namen van de bij het bombardement gedode parochianen. Op de zijde ertegenover staan de woorden: ,,Ego  sum vitis, vos palmites" (Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken) met  een wingerdrank erboven.  Dit alles is het werk van de beeldhouwer Albert Termote.  

9. Orgel en ramen in de voorgevel

Het orgel kwam op 8 juli 1923 gereed. De muzikale Franciscaan dr. Caecilianus Huygens, de latere directeur van de R.K. Kerkmuziekschool in Utrecht, heeft de registratie samengesteld en verrichtte de  eerste bespeling. Aan een commissie onder kapelaan W. J. Pompe (1914-1929), in augustus 1921 ingesteld, is het te danken dat dit prachtige orgel tot stand kwam. Er zijn later nog enkele registers aan toegevoegd en er moesten enkele beschadigingen door de bombardementen van 1941 en 1944 worden hersteld, maar het is nog altijd hetzelfde orgel. Op de buitenkant van de koorzolder staat: ,,Laudate  eum in chordis et organo" (ps. 150, 4) (Looft Hem met snaren en fluit,  want orgels waren er in de tijd van de psalmendichter nog niet) en achterin de ,,zangzolder" bevinden zich de drie gebrandschilderde ,,engelenvensters", daterend van eind 1945, van Cornelis van Straaten in  Utrecht.
Boven de engelenfiguren staat drie maal ,,Sanctus"; de engelen houden een banderol vast met de woorden ,,Gloria in excelsis Deo" en onder de engelen staat te lezen: ,,Audivi vocem angelorum" (ik hoorde de stem van engelen).

pag. 26

Dit woord willen we dan maar toepassen op alle kerkzangers, organisten en dirigenten en met name op de heer Joh.  D. van Geldre, die de Heer geloofd hebben ,,met snaren en fluit" en  een ,,stem van engelen" hebben laten horen.
De ,,wapenramen" op het jubee zijn door Van Straaten in Utrecht in  december 1921 gebrandschilderd naar schetsen van Jan Dunselman. Zij vertonen, van links naar rechts, de wapens van Wilhelmina, koningin  der Nederlanden, prinses van Oranje-Nassau; van Nederland met de wapenspreuk ,,Je maintiendrai" (ik zal handhaven); van Benedictus XV  paus, met de spreuk ,,Princeps pacis" (vredevorst; deze paus had in  1917 een vredesvoorstel gedaan ter beëindiging van de Eerste Wereldoorlog); van Augs Jos. Callier, bisschop (van Haarlem) met zijn zinspreuk: ,,In fide nihil haesitans" (in het geloof niet aarzelend); van  St. Elisabeth Hongariae met het woord ,,Hongarije"; van Lodewijk IV landgraaf van Hessen; van Rotterdam met de spreuk: ,,Fervet opus" (het werk is in volle gang) en van de provincie Zuid-Holland.  
Ten slotte zijn er boven de ingangsdeuren nog drie ramen in antiekglas van
A. Th. J. Stroucken (14 juli 1947) die drie maal twee geknielde engelenfiguren uitbeelden.

10. De klokken
 

In 1907 werd een sacramentsklok van Petit en Fritsen te Aarle-Rixtel  in de sacristietoren geplaatst.  In 1921 leverden dezelfde klokkengieters een luidklok gestemd in fis en genaamd ,,Anna". In 1924 volgde er nog een luidklok in de toon g, die  in 1944 bij een bombardement uit de toren sloeg.
Op 19 november 1942 werd ,,Anna" door de bezetters geroofd maar precies zes jaar later werd een nieuwe Gerardusklok geluid, nadat hij  op 11 november 1948 was aangekomen, op de 14e gewijd en op de  16e in de klokkenstoel geplaatst. Hij was geleverd door Eysbouts-Lips  te Asten en laat de toon e horen. Op 30 maart 1956 werden door Petit  & Fritsen te Aarle-Rixtel twee bronzen luidklokken geleverd met een  stalen klokkenstoel, een electrische luidinstallatie en een angelusapparaat. Deze klokken, genaamd Joannes en Petrus zijn gestemd in fis  en in a, zodat de drie klokken samen een driegelui e-fis-a kunnen laten  horen.

pag. 27

INHOUDSOPGAVE

Verantwoording . . . . . . . . . . . 3

Historisch overzicht . . . . . . . .. 5-9

Bezichtiging van de kerk . . . .. 10-27

1. Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . 10

2. Het middenschip . . . . . . . . . 10-11

3. Het transept . . . . . . . . . . . . .11—13

4. De Heilig Hart kapel . . . . . . .13-14

5. De Lourdeskapel . . . . . . . . . .14—16

6. Het priesterkoor . . . . . . . . . .16-20

7. De grote ramen van Asperslagh . . . . 20-23

8. De gangpaden

a. De kruisweg . . . . . . . . . . . . 23

b. De kapel van O.L Vrouw van Altijddurende Bijstand . . . . 23

c. De Don Boscokapel . . . . . . 23-24

d. De doopkapel . . . . . . . . . .. 24-25

e. De voormalige Sint-Jozefkapel . . . . 25

f. De Sint-Antoniuskapel . . . . . 25-26

g. De biechtkapel . . . . . . . . . . . 26

9. Orgel en ramen in de voorgevel . . . . 26-27

10. De klokken . . . . . . . . . . . . . . .27

pag. 28

FEESTBOEKJE.
De reacties op het feestboekje dat in een 1300 tal is verspreid, zijn in alle opzichten positief.
Men is er enthousiast over.    Natuurlijk zijn er vragen.
“Waarom geen foto’s?” : Antwoord “ te duur.  (zie uitgebreide fototentoonstelling)
“Waarom geen lijst van alle kapelaans?” Goede vraag.
Welnu, hier volgt die lijst compleet, met jaartallen incluis.
Men kan deze pagina eventueel afknippen en in het feestboekje ter aanvulling invoegen of inplakken.

 

P. de Wolf
W. Kooy
A. Kortekaas
G. Intres
J. Vollering
J. de Jonge
W. Pompe
A. Spigt
N. Sentenie
J. Wieman
J. Röben
W. Dessing
J. Middelburg
C, Elsenbroek
G. van Zuylen
J. Riswick
A. Schaaper
C. de Ruyter
H. Westerkamp
L. Schinkel
B. Dorbeck
B. Henning
A. Hooyschuur
P. van Vliet
F Bank
J. Dijsselbloem
J. Schoenmakers
A. Groen
P. Olsthoorn
P. .v.d. Bosch
A. Beijnen
W. van Rijn
P. v.d. Meer
D. Beljaars
1905 - 1910+
1909 - 1913+
1910 - 1915+
1911 - 1912+
1912 - 1918+
1913 - 1917+
1914 - 1929+
1916 - 1920+
1917 - 1921+
1918 - 1925+
1921 - 1926+
1923 - 1928+
1925 - 1927+
1926 - 1929+
1927 - 1933+
1929 – 1933
1929 - 1937+
1933 - 1936+
1933 - 1939+
1936 – 1946
1937 - 1949+
1939 – 1941
1941 – 1940
1946 – 1955
1948 – 1958
1949 - 1956+
1955 – 1960
1956 – 1957
1957 – 1962
1958 – 1961
1960 – 1965
1961 – 1964
1965 - 1972
1965 – 1979

         
pag. 29


Bemanning  St. Elisabeth:
1904-1905 geen kapelaan
1905-1909    1 kapelaan
1909-1911    2 kapelaans
1911-1914    3 kapelaans
1914-1928    4 kapelaans
1928-1962    3 kapelaans
1962-1972    2 kapelaans
1972-1979    1 kapelaan
1979-       geen kapelaan


Duur – Record  kapelaans:
1. W. Pompe        15 iaar

2. D. Beljaars        14 jaar

3. B. Dorbeck        12 jaar

4. L. Schinkel        10 jaar
F. Bank

Noot van de webmaster:
Toen mij dit boekje ter hand werd gesteld dacht ik gelijk dit moet op de website.
Ik hoop dat ik u als lezer hiermee een plezier heb gedaan.

pag. 30

Afdrukken E-mail