50 Jaar St. Elisabeth Parochie Rotterdam

 

50jElisabeth-002x

Voorzijde

 

50jElisabeth-003x

pag. 1

 

50jmath001c

 pag. 3

 

50jmath002

pag. 5

 

50jmath003

 pag. 7

 

Een halve eeuw geleden

De oprichting van de Sint Elisabethparochie, in de wandeling genoemd de "Mathenes" of nog vertrouwelijker de "Math" dateert van een halve eeuw geleden, toen in Rotterdam eindelijk het ideaal begon door te breken om van een grauwe werkstad ook een aantrekkelijke en aangename woonstad te maken. Een gelukkige gedachte, welke met het burgemeesterschap van wijlen mr. A. Zimmerman tot volle rijpheid zou komen. De nieuwe uitleg naar het Westen in het zogenaamde open en wijde land van Mathenesse bood aan de uitvoering van deze grootse plannen royaal de gelegenheid. En daarin was wel de voornaamste opzet de tracering van een deftige woonwijk, die Mathenesselaan zou komen te heten
Een hele nieuwe stad Rotterdam ging verrijzen in dit lokkende westen, breed aangelegde woon-avenues als de Mathenesserlaan, 's-Gravendijkwal, Claes de Vrieselaan en Heemraadssingels, en de verraste burgerij toonde al dadelijk een levendige neiging om dit florissante stadskwartier te gaan bevolken. Maar meteen kwam ook hier de gedachte naar voren: moet dan ook hier niet een nieuwe parochiekerk worden gebouwd?
Als men bedenkt dat in die dagen van Delfshaven uit tot aan de St. Jozefkerk aan de West-Kruiskade en de H. Hart in de Olde geen katholieke kerk zich meer meldde, sprak het van zelf, dat hier waarlijk in een dringende behoefte zou moeten worden voorzien.
De aangrenzende parochiepastoors hadden van hun kant niet nagelaten de aandacht van het Bisdom te wijzen op deze dringende aangelegenheid - een nieuwe parochiekerk, welk zou moeten komen te liggen tussen de oude stad en het voormalige Delfshaven.
En zo gebeurde het dat de voortvarende Bisschop van Haarlem wijlen mgr. A.J. Callier, de eerwaarde heer A.J.H. Wreesman, kapelaan aan de oude Catherinekerk te Amsterdam, aanzocht als bouwpastoor voor de nieuwe parochie in Rotterdam-West. Een buitengewoon gelukkige greep en keuze.

pag. 9

 

Zelf een geboren en getogen Amsterdammer werd bouwpastoor Wreesman een geestdriftige Rotterdammer, die dadelijk in onze stad het werk van zijn leven zag. Een man van de daad,  waar Rotterdam zo van houdt. Vol ambitie ging hij op verkenning uit in de nieuwe wijk, die hem als parochie zou worden toegewezen.
Hij begon met een bouwcommissie te vormen en koos daarvoor twee bekende Rotterdamse bouwkundigen, de heren J.A. Peeters en H. Egelie. Open bouwgrond was er te kust en te keur, maar de nieuwe stadswijk in wording gaf nog weinig te raden, hoe de lijn van de ontwikkeling in de naaste toekomst zou lopen. Allerlei aantrekkelijke terreinen werden in oogschouw en ook in optie genomen, maar achtereenvolgens weer opgegeven. Even merkwaardig als gelukkig is geweest dat eindelijk aan het nog onbebouwde gedeelte van de ontworpen Mathenesserlaan het terrein werd gekozen, waarop later de kerk is gebouwd.
Men had geen gelukkiger keuze kunnen doen. De St. Elisabethkerk siert en domineert het beste gedeelte van de Mathenesserlaan, ze hoort er thuis. In de zitting van de gemeenteraad van 2 Juni 1904 werd het voorstel tot verkoop van bedoelde grond voor de bouw van een katholieke kerk goedgekeurd.
De nieuwe pastoor wilde voorlopig een bescheiden hulpkerk bouwen en kon in Gouda een houten hulpkerkje voor billijke prijs overnemen, maar het gemeentebestuur, met wie overleg moest worden gepleegd, voelde niets voor zulk een schamel tweedehands-gevalletje te laten neerzetten in het zo deftig gedachte nieuwe woonkwartier. Toen werd aan de heer Stelwagen opdracht gegeven een drijfstenen hulpkerk te bouwen, waarvoor de bouwkundige J.A. Peeters de plannen maakte.
Pastoor Wreesman vroeg verlof om een geldlening, groot honderdduizend gulden aan te gaan, waarvoor de pastoor zelf, die een goede vader had, persoonlijk de rentebetaling garandeerde. Op 1 Augustus 1904 werd met deze bouw begonnen en nog bonnen deze maand was dit gebouwtje tot grote voldoening van de pastoor voltooid. Op dezelfde dag werd de eerwaarde heer A.J.H Wreesman officieel benoemd

pag. 10

 

tot pastoor van de Sint Elisabeth-kerk te Rotterdam. de patrones van de kerk was in overleg met de Bisschop gekozen. Hij besloot voorlopig nog maar twee kerkmeesters aan te stellen en dit waren de heren W.P.A. Harte en J.H. Stelwagen die beiden in de nieuwe parochie woonachtig waren. Pastoor Wreesman had de zeldzame gelegenheid om een nieuw altaar en een communiebank over te nemen., welk oorspronkelijk bedoeld waren geweest voor het nog in aanbouw zijnde Sint Agatha-ziekenhuis aan de Bergweg, een katholieke stichting van de heer J. Grewen, welke door verschillende omstandigheden niet tot haar recht is gekomen en door de bouwheer aan de gemeente Rotterdam werd verkocht. De verkoopprijs, die in de tonnen liep, stelde de heer Grewen edelmoedig ter beschikking aan het Sint Anthoniusgesticht, dat er een welkome uitbreiding aan de Nieuwe Binnenweg van bouwde.
Zo kreeg het kleine hulpkerkje, zowel door de pastoor zelf als door de gelukkige parochianen in wedstrijd keurig verzorgd, al dadelijk een devoot cachet van een intiem bedehuis, en pastoor Wreesman kon later in bezit van zijn monumentale tempel dikwijls nog met een stille vertedering terugdenken aan zijn eerste kleine kerkje, dat in een sneeuwende eerste Kerstnacht zo idyllisch te dromen lag op het grote, nog open landelijke bouwterrein. Een sonore jongensstem had toen zo ontroerend mooi het "Stille Nacht" gezongen, en de jeugdige zanger zelf zou later behoren tot een van de vele priester-parochiezonen, die in de grote mooie Elisabeth hun eerste H. Mis zouden opdragen. Nu is deze jonge zanger de eerwaarde heer A. Harst zelf al jaren Deken in Den Helder.
Maar hoe aanminnig het kleine hulpkerkje hem ook aandeed, pastoor Wreesman was een man, die grootser idealen nastreefde. Hij begreep dat in dit mooie woonkwartier hem ook in bouwkundig opzicht hoge eisen zouden worden gesteld. Dag aan dag, avond aan avond zat hij naarstig gebogen over de bouwontwerpen voor zijn grote, definitieve kerk. Hij wilde de heilige Elisabeth, die een koningsdochter was geweest, een haar waardig monument stichten. Hij rekende en overwoog, liet zich raden en adviseren, maar vol vertrouwen dacht hij ook aan de profeten-woorden uit de Bijbelse Kronieken: "Breng alles ten uitvoer wat gij van plan zijt: want God is met u..."

pag. 11

 

Toch had de pastoor meer aan het hoofd dan alleen een mooie kerk te bouwen.
In September van het tweede jaar opende hij met de Zusters van Sint Lucia een voorlopige parochiale bewaarschool aan de Schietbaanlaan in pand 75, Welke in April 1906 alweer overging in een nieuw pand op nummer 96 aan dezelfde straat, geheel naar de nieuwe eisen des tijds ingericht.
In September 1908 werd door Deken Thier een speciaal Zusterhuis, de "Sint Maria Stichting", en nieuwe scholen ingewijd aan de Robert Fruinstraat, welke in het verloop de verdere jaren zijn uitgegroeid tot een imposant verscheiden onderwijscomplex aan deze zelfde straat.
Met zijn eerste hem toegevoegde kapelaan P.W. de Wolf begon de onvermoeide pastoor Wreesman een patronaat voor jongens onder de naam van de H. Tarcisius. en een Sint Agnes-patronaat voor meisjes. Maar met de bouw van de definitieve kerk kon nu ook niet langer worden gewacht, want het nieuwe Westen werd in een koortsig tempo volgebouwd en de ruimte in de hulpkerk werd benauwend klein.
In April 1907 werd daarvoor dan ook de eerste steen gelegd en 1 Mei 1908 was de kerk voor tweederden voltooid; het hele complex bleek te omvangrijk om in één ruk te worden afgebouwd, temeer daar ook nog gedacht moest worden aan een aangrenzende pastorie, met welk bouw plus nog patronaatslokalen in 1909 werd begonnen op het terrein, dat met de afbraak van het nu overbodige hulpkerkje beschikbaar zou komen. Pastoor Wreesman had tot dusver maar één kapelaan toegewezen gekregen, maar hij rekende er op dat hij binnen afzienbare tijd zeker vier kapelaans onderdak zou moeten verlenen. Dan was er sinds 1907 ook pater A. Peters, sub-prior van de Paters Carmelieten te Hogeveen, een vriend van pastoor Wreesman, die zeker een tiental jaren permanent assistent op de Mathenesserlaan is gebleven.
De heer Stelwagen was onderwijl in 1906 als kerkmeester afgetreden en vervangen door de heer H. van der Ven, en naast deze en de heer W. Harte werd nu het Kerkbestuur met de heren J. Seeuwen en A.L.N.  van de Clooster baron Sloet tot Everlo officieel op vier man gebracht. Op een serene Meiavond werd het intieme hulpkerkje nu voorgoed

pag. 12

 

verlaten voor het nieuwe kerkgebouw, dat hol en ledig, nog zonder beeld of decoratie bijna zonder banken, de gelovigen opwachtte.
De eerste aanblik deed wel iets unheimisch aan.
Maar dat zou al spoedig anders worden, daar bleef de wakkere pastoor Wreesman borg voor.

 

DE NIEUWE SINT ELISABETH

Tot bouwmeester van de kerk was gekozen de heer P.G. Buskens, die reeds enige jaren residentie had genomen in de nieuwe Mathenesserlaan. Zijn definitief ontwerp was een knap gevonden samenspel van verscheidene stijlvormen, maar men vindt er de hegemonie in terug van wat de pastoor zich zelf gedacht had: een feestelijke tempel, die gelegenheid zou bieden tot het aanbrengen van zinrijke decoratiewerken.
Pastoor Wreesman had vanuit Amsterdam een warme geestdrift meegebracht voor de religieuze wandschilder Jan Dunselman, wiens oeuvre in die dagen algemene waardering vond, en een gelijke verering koesterde hij ook voor het edelsmeedwerk van Jan Brom en diens beide kunstzinnige zonen.
Het liet zich dus raden, dat deze kunstenaars een gelukkige beurt zouden maken in de nieuwe Sint Elisabeth-kerk te Rotterdam. Het was natuurlijk voor pastoor Wreesman zelf een aanvankelijke teleurstelling, dat hij zijn kerk als financieel te zwaar belast, niet in een ruk kon afbouwen.
Maar ontmoedigen kon deze tegenslag hem niet., integendeel, het prikkelde des te meer zijn onverdroten ijver.
Toen de kerk dan begin Mei 1908 in gebruik werd genomen, was deze nog maar gedeeltelijk voltooid. Het voltooide gedeelte bestond uit het hoge en weidse priesterkoor met twee zij-altaren, een toegewijd aan O.L. Vrouw van Lourdes, een bijzondere devotie ven pastoor Wreesman, het andere aan Jezus' Allerheiligst Hart, die later afzonderlijke kapellen zijn geworden. Dan verder het brede transsept, want de kerk is in kruisvorm gebouwd, en twee travee's. Bij de toekomstige afbouw zou er nog één traveé aan worden toegevoegd en voorts het imponerende voorfront

pag. 13

 

en de toren. Deze laatste echter zou bij de definitieve afbouw niet zo uitbundig worden uitgevoerd als zij oorspronkelijk was ontworpen. Wat geen verlies heeft betekend, want de toren, die nu 42 meter hoog is geworden. past nu meer harmonieus bij het 28 meter brede voorfront aan de Mathenesserlaan.
Een machtige gewelvenbouw heeft het voordeel geschapen van een ruim middenschip, van waaruit de gelovigen overal het altaar en de preekstoel kunnen zien, terwijl men vanuit het hoge priesterkoor en van de kansel, die zijdelings op het priesterkoor is geplaatst, eveneens het ongebroken uitzicht heeft over de kerk en de gezamenlijke gelovigen, wat bij grote kerkelijke plechtigheden steeds een verheugend effect maakt. De zijbeuken zijn alleen bedoeld als gangpaden. Het interieur der kerk is uit gele verblendsteen opgetrokken, wat de grote ruimte prettig licht maakt. De korten bogen rusten op dubbele Beiers-granieten kolommen met hardstenen basement en zandstenen kapitelen.
Zoals zij in 1922 is afgebouwd heeft de kerk een lengte van 67 meter, een breedte over het transept gemeten van 33 meter en een hoogte met inbegrip van de koepel van 24 meter.
Kon pastoor Wreesman uiterlijk voorlopig nog niet afbouwen, met zoveel te meer ijver en energie wijdde hij zich aan de verzorging van het reeds bestaande interieur van de kerk. En hierin ging hij zelf voor met eigen milde hand, welk genereus voorbeeld met bewonderenswaardige offervaardigheid door de parochianen werd gevolgd.
Als Koning Salomon trok hij de in zijn dagen meest bekende kunstenaars aan om de schoonheid van zijn tempel te vieren en te markeren. Edelsmeden als Jan Brom en zonen en Van Roosmalen, beeldhouwers als Jan Wolf, Jacq. Sprenkels, Timmermans en Kroon, glazeniers als Van Straten, Asperslag en Duchateau.
Maar naar de gevierde wandschilder Jan Dunselman gingen al dadelijk wel de voornaamste opdrachten uit. Hem werd door de pastoor zèlf en op diens eigen kosten de uitvoering opgedragen van een eerst statie, welke zozeer in de smaak viel, dat de overige staties in een verrassend tempo volgde en binnen afzienbare tijd de hele Kruisweg gereed kwam. En deze werd hier en daar nog afgewisseld met in gelijke freco-toon

pag. 14

 

gehouden taferelen uit het bewogen leven van de H. Elisabeth, de patrones der parochie.
Waar het de bedoeling van pastoor Wreesman was om van de twee zij-altaren meer afzonderlijke kapellen te maken, het Maria-alaar en H. Hart-altaar, kreeg Dunselman ook de opdracht deze kapellen met symbolische schilderingen te verrijken.
De eerste taak van de schilder was de Lourdeskapel, een speciale voorliefde van de opdrachtgever, die, evenals zijn vader, verknocht Lourdespelgrim was.
Meesterlijk heeft de kunstenaar met de beschikbare ruimte gewoekerd. In het midden het altaar met het blank-marmeren beeld van O.L.Vr. van Lourdes - een fraai wekstuk van Jacq. Sprenkels - dat onder een verguld baldakijn op het slanke voettabernakel verrijst. Aan weerszijde van het beeld een drietel in de muur uitgewonnen nissen, waarin grot verscheidenheid taferelen en oud-testamentische voorafbeeldingen van Maria's leven zijn aangebracht.
In de concha rond het altaar als bandversiering de woorden: "Tota pulchra es Maria", met emblemen op de titels van de litanie van Loreto en in het midden de verheerlijking van de Onbevlekte Moeder Maagd als Koningin des Hemels, tronend naast haar goddelijke Zoon. Boven deze dominerende figuren trekt God de Vader zegenend de handen uit en straalt de H. Geest in het zinnebeeld van de blanke duif.
In de hogere gewelfbeschildering ziet men twee groepen: "de Boodschap van de engel" en de "Geboorte van Christus", boven de eerste groep de profeet Isaias en de Sybille van Cumae in verband met de profetieën omtrent de Moedermaagd, boven de andere groep de profeten Daniël en Micheas van wie de eerste precies de tijd, de laatste de plaats van Christus" geboorte voorspelde.
In het midden van de gewelfboog de stralende zon met de woorden: "Electa ut sol" ("Uitverkoren als de zon"), omgeven door sterren, als zinnebeelden van de glans des Onbevlekte Moedermaagd.
Ten slotte nog twee Sschilderingen, links Adam en Eva onder de boom van kennis van goed en kwaad, te midden van welig groen en wuivende palmen, de weelde van het paradijs genietend; rechts Adam en Eva na

pag. 15

 

de eerste zondeval, gebogen en gebukt onder de levenslast zich een weg banend door stekende distels en doornen, die al tegen hen opwassen, terwijl een engel de toegang van het paradijs afsluit. In volkomen harmonie sluit zich het prachtige Maria-altaar bij deze grootse schildering aan. Links van het tabernakel ziet men de zalige Bernadette, knielend voor Maria Onbevlekte Ontvangenis, rechts Paus Pius IX met de bul "Ineffabilis Dei", die in 1854 het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis afkondigde. De tombe, in een omlijsting van kleurig marmer, stelt de zieke en invalide spoorweginspecteur Gargam op een draagstoel bij de zegening met het Allerheiligste, waarbij hij in 1901 op wonderbare wijze werd genezen en geheel hersteld. In de groep personen, die van dit wonder getuigen waren, komt hier naar voren de heer D.A. Wreesman, de vader van de pastoor, die als brancardier de ongelukkige Gargam te Lourdes verzorgde. Heel de weloverwogen compositie van deze heerlijke Lourdeskapel maakte dit oeuvre van Jan Dunselman tot een zeldzaam kunstwerk, waarvan de roem zowel afstraalt op de knappe kunstenaar als op de Lourdes-devote opdrachtgever pastoor Wreesman.
Achteraf vraagt men zich wel eens af, hoe Jan Dunselman het stuwend tempo van de pastoor met zijn atijd zo verzorgd werk heeft kunnen bijhouden. Want amper was hij met de omvangrijke schildering in de Lourdeskapel klaar of hij begon al weer aan de verzorging van de Doopkapel. Onderwijl was de pastoor al in de weer voor de verdere voltooiing van zijn kruisweg en begon hij ook aan de plaatsing in zijn kerk van verschillende heiligenbeelden, achtereenvolgens de fraai gestyleerde beeltenissen van Tarcisius en Agnes, Sint Franciscus en Elisabeth, de helige Pastoor van Ars, en Sint Alphonsus, Sint Jozef en Moeder Anna, Leonardus van Veghel en Petrus en Paulus. De Doopkapel bevindt zich in de zijgang van de kerk en is door een deur ook van de pastorie uit te bereiken, waar in een apart kantoortje de nieuwe dopelingen worden geregistreerd.
Ook met de decorering van de Doopkapel is Jan Dunselman weer meesterlijk geslaagd.
Boven de ingang van de kapelzier men het ledige graf van Christus met

pag. 16

 

de helige vrouwen van de Paasmorgen, vol verbazing starend naar het ledige graf en naar de engel, die het lijnwaad oplicht en naar boven wijst: "Hij is niet hier, hij is verrezen." Boven het graf de verheerlijkte Christus met het H. Kruis, teken Zijner overwinning.
Deze figuren zijn gescheiden van de benedenpanelen door een goudgeschilderde band waarop in het latijn de verklarende Schriftwoorden staan: "Wij zijn begraven met hem door het doopsel in de dood, opdat gelijk Christus verrezen is van de dood, ook wij in de nieuwheid van het leven zullen wandelen". Rom. VI 4. Het kind n.l. begraven in de wateren van het doopsel komt daaruit weer te voorschijn, gedeeltelijk herlevend.
Links van de voorstelling van het graf van Christus treft men de Doop van Christus in de Jordaan door de H. Johannes de Doper, waarboven de H. Geest, gesymboliseerd door een duif en in een zon van licht de Hand van God de Vader met de woorden: "Deze is Mijn beminde Zoon".
Onder het geheel de verklarende woorden: "Jezus van Nazareth kwam in Galilea en werd gedoopt door Johannes in de Jordaan".
Rechts weer een rijke voorstelling van de doop van de H. Elisabeth, patrones van de kerk. Onder een troonhemel zit de bisschop, die van boven het bekken water over het bevoorrechte kind uitstort. Daarnaast knielend in vorstelijk gewaad en met Hongaarse kroon op het hoofd haar koninklijke ouders. Onder deze groep de woorden: Sint Elisabeth van Hongarije wordt gedoopt in Presburg in het jaar O.H. 1207.
Door een rozet van veelkleurig geschilderd glas voorstellend de H. Geest stroomt het klare zonlicht de kapel binnen. De rozet vormt het middelpunt van een kruis, uit welke vier armen een zilveren stroom vloeit naar de vier hoeken. bedauwend de lelietakken en symboliseren de stromen van genade, die de zieken, hier lelietakken, doen herleven.
Op de linkerwand is in goudkleur het embleem van de H. Drievuldigheid aangebracht: drie ineenlopende cirkels in één grote cirkel, waarin de woorden: "Pater, Filius Spiritus Deus Trinitas", en deze weer omgeven met de woorden: "Sanctus, Sanctus, Sanctus". Op de rechterwand eveneens in goud het bekende Christus-monogram.
Temidden van deze zinrijke beschildering prijkt het monumentale 17e eeuwse doopvont op een zware hardsteen voet, waarvan het bekken rijk

pag. 17

 

is bewerkt met ineengestrengelde figuren en gedekt wordt met een koperen puntvormig deksel, waarin gedreven vier figuren omvattend de bronnen waaruit ter weerszijde het water stroomt, voorstellend de genadestromen van het Nieuwe verbond, gesymboliseerd door de Euphraat, de Tigris, de Phison en de Geon.
Het geheel van dit doopvont is nog een compositie van de meester Jan Brom, welke na diens dood met innige toewijding door diens beide zonen Jan en Eloy Brom is uitgevoerd.
Het koperen deksel hangt aan een arm van kunstsmeedwerk en kan op een vernuftige en gemakkelijke wijze van zijn plaats verwijderd worden. Het uiteinde van deze arm heeft de vorm van een kronkelende slang. De kapel wordt aan de kant van de kerk afgesloten door een zachtgetint blauw hekwerk, eveneens ontworpen door wijlen Jan Brom.
Terwijl pastoor Wreesman zich zo met hart en ziel gaf aan de rijke decoratie van zijn schone kerk, bleef toch wel de gedachte hem voortdurend bezighouden dat het dringend noodzakelijk was dat besloten werd tot verdere afbouw van de kerk zelf.
Het nieuwe Westen ontplooide zich aldoor op de meest verrassende wijze. De onverwacht uitgebroken oorlog van 1914 doorkruiste echter pastoor Wreesmans voortvarende plannen.
Ons vaderland was gelukkig nog buiten de oorlog gebleven, maar niemand kon voorzeggen wat er nog gebeuren kon. Ook hier te lande werd het bouwmateriaal steeds schaarser en duurder, wie zou de pastoor durven adviseren om toch door te zetten en af te bouwen? Door de bezetting van België had Rotterdam meer dan andere Hollandse plaatsen een invasie van vluchtelingen te verwerken en ook van deze kwamen er in grote getale naar het nieuwe Westen, waar zij dachten een beter leven te krijgen op een goede woning. Dus ook weer drukker kerkbezoek voor de Sint Elisabeth. Pastoor Wreesman zuchtte dat hij aldoor ruimte te kort kwam. Maar ook zuchtte hij bij de vele zorgen van parochianen, die door de oorlogsomstandigheden en bij gebrek aan voldoende voeding tot armoede en verzwakking dreigden te vervallen. Ook daarin moest worden voorzien.
Gelukkig had hij in 1910 een ijverig parochiaal armbestuur opgericht,

pag. 18

 

dat nu in deze dagen van onvoorziene moed een geregelde activiteit kon gaan uitvoeren. Voorzitter van dit armbestuur werd dokter J. Koning die veertig jaren lang deze functie heeft waargenomen.
Het was ook in deze oorlogsjaren dat pastoor Wreesman twee van zijn kapelaans in de volle kracht van hun leven door de dood moest verliezen. de jonge kapelaan Kortekaas, die aan een ernstige pleuritis bezweek en kapelaan J.W.M. de Jonge, die onder ontroerende omstandigheden een plotselinge dood stierf temidden van de parochianen, die in grote getale met hem waren samengekomen om het plechtige Veertigurengebed te vieren. Kapelaan de Jonge die zelf het tridium preekte, was aan het slot van zijn laatste predikatie, toen hij plotseling op de kansel ineenzakte en kort daarop de geest gaf.

Het jaar daarop bracht de vrede. Uit dankbaarheid voor deze Godsgave brachten de parochianen van de Mathenesserkerk binnen twee jaar tijds ƒ 50.000,- bijeen voor de definitieve afbouw der kerk.
De parochie zelf was op het toppunt van bloei. het aantal parochianen overschreed op 7000. 1100 meisjes bezochten de zusterscholen in de Robert Fruinstraat. Pastoor Wreesman oordeelde de tijd gekomen om de Elisabeth-kerk af te bouwen.
Het was toen December 1920. Zeker niet het aangewezen seizoen om een nieuw bouwwerk te beginnen. Maar Gods zegen was met de bouwheer. Het weer hield zich voortreffelijk, zeldzaam feit bij een klimaat als het onze, er kwamen tien maanden achtereen zo goed als geen regen en de bouw slaagde voorspoedig.
En dan einde Januari 1922 is de monumentale St. Elisabeth aan de koninklijke Mathenesserlaan geheel voltooid, dank niet weinig aan de voorbeeldige inspanning van beide aannemers G. Mulder en J. v.d.Meiracker.
Het college van B. en W. komt onder leiding van burgemeester Zimmerman een officieel bezoek brengen aan de Sint Elisabeth om een van de merkwaardigste bouwwerken en schoonste kerken van nieuw Rotterdam in oogschouw te nemen. De bewondering is algemeen.
De verheugde parochianen lieten aan de ingang van het kerkgebouw een

pag. 19

 

bronzen gedenkplaat aanbrengen te eeuwige dankbare herinnering aan de energieke stichter van de kerk pastoot A.J.H. Wreesman.
Een soortgelijke hulde werd ook, maar eerst na zijn overlijden, gebracht aan de knappe bouwmeester van de kerk, wijlen de heer P.G. Buskens.
Op een der eerste Meidagen van 1922 werd de thans geheel voltooide Sint Elisabeth plechtig geconsacreerd door Z.D.H. mgr. A.J. Callier, Bisschop van Haarlem. Het was de 53ste consecratie tijdens het episcopaat van deze bisschop,
Ter gelegenheid van deze heugelijke gebeurtenis schonken de parochianen een monumentaal bronzen kruis en een expositietroon voor het hoofdaltaar, kunstwerk van v. Roosmalen.
Nog één ding ontbrak aan het prachtige bedehuis, dat pastoor Wreesman had gesticht en dat was het officiële grote orgel. Voor het eerst schrikte hij voor deze nieuwe taak terug. Zijn parochianen hebben al zoveel gedaan; maar dan weet hij naast zich zijn ijverige kapelaan W.J. Pompe, de tegenwoordige hoogeerw. heer Deken van 's-Gravenhage, die vijftien jaren achtereen de zeer geziene en populaire kapelaan in de Elisabeth is geweest en daar zelf ook de muziek en zang verzorgde. Deze stelde voor de vorming op te nemen van een speciale orgelcommissie, en hij deed dit met zulk een élan, dat tot verrassing van de pastoor reeds het jaar daarop het prachtige orgel kon geplaatst worden. Een knap werkstuk van de Verenigde Kerkorgelfabrikanten te Aalten onder de deskundige voorlichting van de bekende musicoloog pater dr. Caecilianus Huigens O.F.M.
Had pastoor Wreesman nu zij ideale kerk voltooid, die plaats bood aan 1300 bezoekers, niet minder had hij in die jaren gewerkt en gezwoegd voor een voorbeeldige beleving van geloof en godsdienst. Hij had zelf niet in de eerste jaren van zijn pastoraat een Sint-Annavereniging opgericht voor alle vrouwen in de parochie woonachtig ter bevordering van het geestelijk leven?
Maar met de bouw van de kerk was het ook rondom hem zijn parochie aldoor gegroeid en had in de loop der laatste jaren dermate een uitbreiding verkregen, dat thans ook pastoor Wreesman voor de dwingende noodzaak werd geplaatst zijn parochie te moeten gaan delen. En als dagelijkse herinnering aan deze noodzaak kreeg hij nu naast zijn

pag. 20

 

vier vaste kapelaans ook nog als huisgenoot kapelaan Drenth uit de Haag met de bisschoppelijke opdracht een nieuwe kerk te gaan bouwen aan de zeer naburige Beukelsdijk.
Maar hij zelf voelt, dat zijn levenswerk volbracht is, de oude energie gaat hem ontzinken, de onvermoeide wordt vermoeid, de ijver voor de luister van Gods huis heeft zijn krachten gesloopt en verteerd.
Na een 23-jarig zeldzaam voorbeeldig pastoraat neemt pastoor Wreesman op 1 September 1927 zijn ontslag.
Maar van zijn dierbare kerk kan hij zich niet losmaken, daar trekken hem teveel gelukkige herinneringen. Te midden van zijn parochianen blijft hij wonen, en als twee jaar later zijn Sint Elisabeth haar zilveren bestaan viert, dan werpt dit feestelijk zilver een aureool van goud rond het grijze hoofd van haar moegeleefde, maar gelukkige stichter en bouwheer.

 

DE OPVOLGER: PASTOOR QUERELLE

Het scheen blijkbaar niet gemakkelijk om voor pastoor Wreesman een gelijkwaardige opvolger te vinden, want het duurde tegen alle gewoonte in anderhalve maand, alvorens de nieuwe pastoor van Sint Elisabeth werd benoemd.
De uitverkorene was de zeereerw. heer Ch.F.J. Querelle. een naam, die de Rotterdammers niet onbekend in de oren klonk, want pastoor Querelle was vele jaren lang een zeer gewaardeerde en populair kapelaan in Kralingen geweest. Zijn benoeming tot pastoor van de omvangrijke en drukke Elisabethparochie moet voor hem zelf een verrassing en misschien ook een beklemming ziijn geweest, want hij voelde zich naar eigen getuigenis gelukkig en tevreden als pastoor van het landelijk Tuitjenhorn, waar hij zeker ook had gedacht eens zijn rustig leveneinde te vinden.
De gemoedelijke en vriendelijke figuur van de nieuwe pastoor was wel in flagrante tegenspraak met zijn  Franse familienaam Querelle, welke in het Hollands "ruzie" betekend. In tegenstelling ook met zijn forse en opvallende uiterlijke verschijning was er geen schijn van opdringerigheid in deze nieuwe herder der parochie.

pag. 21

 

50jmath004

 pag. 22

 

Toch heeft pastoor Querelle in zijn jaren, dat hij herder van Sint Elisabeth is geweest, veel en goed werk gedaan.
Wat de bijzondere luister van Gods huis betreft, heeft hij waardig de traditie van pastoor Wreesman voortgezet, wat aan de emeritus in diens laatste levensjaren een blijde voldoening schonk. Vooral de monumentale schildering van het Laatste Avondmaal van C. Dunselman achter het hoofdaltaar werd pastoor Wreesman een grote verheugenis.
Voorts zorgde hij voor gebrandschilderde ramen in het zelfde priesterkoor en deed hij een weids Smyrna-tapijt ontwerpen voor het altaar en de communiebank. Maar naast een laatste hand leggen aan de decoratieve afwerking van de schone kerk wist pastoor Querelle ook het geestelijk en godsdienstig leven in de parochie steeds hoger op te voeren, vooral door de H. Hart devotie, waarvan hij zich een persoonlijke propagandist toonde.
Goedhartig als heel zijn wezen ook uiterlijk leek, kweekte hij zorgzaam wat hij noemde zijn "kolenpotje", waarmee hij des winters de behoeftigen van zijn parochie uit en aan een brand hielp. Hij was de permanente liefdadigheidspredikant ten bate van meer misdeelden onder zijn parochianen. Naar waarheid getuigde dan ook de welsprekende lijkredenaar bij de te vroege doodsbaar van pastoot Querelle: "Hij heeft voor zijn volk gezorgd".
Maar ook zijn meer fortuinlijke parochianen wist pastoor Querelle te vinden, ook toen in zijn laatste levensjaren hem het gaan aldoor moeilijke werd. Met een eeuwige glimlach wist hij hun de bedelnap voor te houden voor de dringende schuldendelging der kerk. Persoonlijk heeft hij voor dit doel in de laatste jaren van zijn pastoraat het kapitaal van ƒ 80.000,- bijeengebracht.
Pastoor Querelle heeft gewerkt tot zijn laatste kracht verslonken was. In Juni 1935 verhuisde hij van zijn pastorie naar het St. Franciscus-gasthuis, waar hij een maand later het verzwakte hart in de forse man bezweek.
Zijn zeven pastoorsjaren aan de Sint Elisabeth zijn ook zijn laatste levensjaren geworden. Hij stierf nog geen zestig jaren oud.

pag. 23

 

PASTOOR G.J.H. KERKVLIET

Pastoor Wreesman was 23 jaar pastoor van de Sint Elisabeth, pastoor Querelle zeven jaar. Drie en twintig en zeven zijn tezamen dertig jaren, dus de resterende twintig jaren van het vijftigjarig bestaan van de Sint Elisabeth komen op rekening van pastoor Kervliet.
Met ingang van 17 Juni 1935 werd tot pastoor benoemd de zeereerw. heer G.J. Kerkvliet, rector van het St. Anthoniusgesticht aan de Nieuwe Binnenweg. Twaalf jaar kapelaan, acht jaar rector en reeds twintig jaar pastoor telt pastoor Kerkvliet veertig onafgebroken Rotterdamse dienstjaren.
Een leven van actie op velerlei en verscheiden gebied. Onderwijs, sport, jeugdbeweging, werkelozenzorg, sociale arbeid. Toen werd hij pastoor van Rotterdams schoonste en plechtigste kerk. Maar hij wist het, de Elisabeth was een dure en kostbare kerk en dus moest hij nu ook een financier worden. Ook deze kunst heeft hij leren verstaan. Toen het noodzakelijk bleek liet hi met een zekere ironie - ook rode hulptroepen aanrukken - de bekende rode bussen paradeerden Zondags door de kerk en wisten de sympathie te veroveren..
Na een zeer beweeglijk leven was pastoor Kerkvliet nu aan een meer rustige oever van het herderschap beland, maar ook in deze laatste kwaliteit is hij toch een "snelle vliet" gebleven.
Stoffelijk en geestelijk heeft pastoor Kerkvliet in de jaren van zijn pastoraat de Elisabeth verzorgd als een toegewijde vader. De Elisabeth de liefde en glorie van zijn leven, dag en nacht is zij in zijn gedachte en zijn doen. Hij begon met een koperen dak als een zegel van hechtheid op de kerk te leggen en zorgde voor een nieuwe en moderne verwarming. Wilde hij de Elisabeth tot een durende feesttempel maken, dan moesten de parochianen er zich 's winters behaaglijk voelen. En feesten weet pastoor Kerkvliet te arrangeren.
Luisterrijke feesten, grandioze feesten, welk de parochianen altijd weer stichten en ontroeren, zodat een keer een bekeerling met tranen in de ogen tot de pastoor getuigde: Ik heb vanavond een stuk van de hemel open gezien".

pag 24

 

Feesten, Eerste H. Missen - meer dan zestig seculieren en reguliere priesters hebben in de loop der jaren in de Sint Elisabeth hun eerste H. Mis gevierd. Heiligverklarings- en aanbiddingsfeesten. Veertigurengebed, H. Hart-, Sint Elisabeth- en Don Bosco-feesten, Maria-avonden, plechtige novenes en missie-sluitingen. Tot de viering van een tachtigste verjaardag van de voorbeeldige parochiaan en St. Elisabeth-ijveraar, de heer Biermans, en het huwelijk van koster Jacq. van Bree toe, die in deze kerk gedoopt, gevormd en z'n eerste H. Communie heeft gedaan en zijn verdienstelijke vader, die vijf en twintig jaar koster is geweest, ook in dit ambt heeft opgevolgd.
Pastoor Kerkvliet stelde zelfs een zilveren kruis van verdiensten in om aan parochianen uit te reiken, die zich voor kerk en parochie op bijzondere wijze verdienstelijk hebben gemaakt. Met zijn van ouds bekende liefde voor jeugd en jeugdbeweging stichtte hij zijn Don Bosco-kapel met een door de Brom's in metaalplastiek vervaardigd beeld van de gevierde jeugdheilige, dat te rusten kwam op een Travertin-marmeren voetstuk. Op een avond in Januari 1940 werd het geheel met grote plechtigheid ingewijd door de apostolische Internuntius mgr. Paolo Giobbe, die hij menigmaal voor kerkelijke festiviteiten vraagt.
Toen hij, na zijn drie eerste jaren van zijn pastoraat, zijn zilveren priesterfeest vierde,  kon de oudste kapelaan Dorbeck hem mededelen, dat de parochie hem een geschenk offreerde van 3200 gulden, waarop de pastoor aanstonds antwoordde, dat deze feestgave zou bestemd worden voor de verfraaiing van de kerk. Hij bracht gebrandschilderde ramen aan in de kapellen van Don Bosco en van Sint Antonius en ook de Mariakapel werd verrijkt met een herinnering aan de verschijning in Fatima.
Iedere dag weer beleefde de pastoor vreugde aan zijn schone kerk, die iets heeft gekregen van een buitenlandse kathedraal, waar heel de morgen tal van priesters van binnen en buiten de stad met innige devotie de H. Mis kwamen lezen.
Hij heeft de missionarissen van het H. Hart naar Rotterdam doen komen en ruimde hun een huis in naast zijn kerk, om vandaar uit hun Una Sancta, de bekeringsactie te beginnen, speciaal in het Westen der stad.

pag. 25

 

50jmath005

 pag. 26

 

Toen kwam in het najaar van het tweede oorlogsjaar de dreigende berichten, die reeds te voren veertien Rotterdamse kerkgebouwen in puin hadden gelegd, ook de late hemel boven zijn schone tempel versomberen, die hij in de aanvang van de oorlog zo dankbaar gespaard dacht. Binnen enkele seconden was het gebeurd. Een onverwacht bombardement op de Mathenesserlaan maakte ook zijn kerk, de Elisabeth, tot een hopeloze ruïne.
Jerusalem desolata est.
Moest dit nu het dieptragische einde betekenen van zoveel jaren geestdriftige arbeid van hem en zijn voorgangers?
De heerlijke bloemen, die te midden der puinen het trotse hoogaltaar nog sierden, waar de avond tevoren nog het Aanbiddingsfeest was gevierd, leken nu rouwkransen aan de baar van een dode gelegd.
Pastoor Kerkvliet, diep geslagen, voelde zich als de arme man Job, maar zijn Godsvertrouwen nog zijn eigen kracht en energie bleken gebroken. Met altijd ver ziende blik was hij de eerste pastoor van het bisdom geweest, die zijn kerk verzekerd had bij de oorlogs-molestverzekering.
Was de eerste mening geweest, gezien de ontzaggelijke ruïne in de prachtige tempel aangericht, dat de Elisabeth nu wel zou moeten worden afgebroken, een gedachte, die de trotse stichter en bouwheer Pastoor Wreesman z.g. gelukkig bespaard is gebleven - bij nader onderzoek bleek dat deze fatale ramp nog kon worden voorkomen. Er bleken gelukkig geen verdoken bommen meer in het bouwwerk aanwezig te zijn.
Met man en macht werd onder leiding van architect Jan Hendriks aan de restauratie begonnen. Na zes weken in de kapel va het meisjeslyceum te hebben gekerkt, kon de herstelde Elisabeth weer in gebruik worden genomen, en trokken geestelijkheid en parochianen weer triomfantelijk hun geliefde heiligdom binnen.
Ter gedachtenis aan deze ramp in het overigens zo rijk gezegend leven van Sint Elisabeth, werd een jaar later, weer op initiatief van Pastoot Kerkvliet, in de kerk een door beeldhouwer Albert ter Mote ontworpen gedenkzuil onthuld, ter vervanging van de laatste kerkpilaar die door een bom was weggeslagen. De verdwenen kerkpilaar zelf werd op de marmeren

pag. 27

 

50jmath006

pag. 28

 

gedenkzuil ook herdacht met de treffende woorden: "Et ego cecidi". "Ook ik ben gevallen', tezamen met de namen der bij het bombardement gedode parochianen. Verder is de zuil versierd met de reliëfbeeltenis van de H. Theresia, op de avond van wier jaarlijkse feestdag het bombardement plaats had, en van de H. Gerardus Majella, de doopheilige van de pastoor.
Toch waren de dagen van beproeving nog niet voorbij. Het leek alsof de altijd actieve pastoor niet al te overmoedig mocht worden. In de late avond van 9 November 1944 werd de St. Elisabeth andermaal door bominslag getroffen, gelukkig niet zo ernstig als de vorige keer.
Maar het laatste nog resterende gebrandschilderde venster werd vernietigd, en nu was de kerk van al haar eens zo glorieus glaswerk volkomen beroofd. Veertien dagen later was de kerk weer van de geslagen wonden hersteld. Onder leiding van de actieve kapelaan B. Dorbeck werd een comité gevormd, dat de taak op zich nam en ook schitterend vervulde, om de oude glasluister weer een de Elisabeth terug te schenken.
Langzaam begon de vrede te dagen. Op 5 Mei 1945 was Nederland bevrijd.
De Sint Elisabeth begon zich weer de gespannen leden te strekken. Zij werd de feesttempel, waar het eerst van alle de gelukkige bevrijding werd gevierd. Naast kapelaan M.C. van Stijn verschenen twee protestantse predikanten: Ds Th. Dolleman, Geref. Pred. en Ds J.H. Stelma, Ned. Herv. Pred op de kansel van St Elisabeth om in een geestdriftig dankwoord de gelukkige bevrijding te gedenken.
In een geslaagde missie, die door de apostolische nuntius mgr Paolo Giobbe plechtig werd gesloten, toonde ook de parochie haar zin en verlangen naar geestelijke hernieuwing en verdieping.
Op de 42 meter hoge toren verrees triomferend een pastelgroen lichtend kruis, dat in de nacht als een zegening staat over de in oorlogsjaren zo zwaar beproefde stad.

"Hoog aan de hemel
Wijst dit Kruis
Hier is de plaats van Jezus' Huis...
Wilt God toch niet vergeten."

pag. 29

 

In de Kerstweek van 1947 werd in de Elisabeth een drievoudig jubilé gevierd. In 1944 bestond de parochie 40 jaar, maar dit jubilé kon toen niet worden gevierd wegens de oorlogsomstandigheden. Op 8 Mei was het 25 jaar geleden dat de kerk werd geconsacreerd, en op 28 December was het 12½ jaar geleden dat pastoor Kerkvliet tot herder van de parochie werd benoemd>
Dit drievoudig jubilé werd in de St. Elssabeth natuurlijk weer met een uitbundige luister gevierd.
De wereldlijke viering van het feest werd op Dinsdag 30 December besloten met een feestavond in de Rotterdamse Schouwburg, waar de Mathenesser jeugd onder leiding van Wim Quint van de K.R.O. een perfecte opvoering gaf van het Mariaspel "Mariken van Nimwegen".
Het was meteen een uitgezochte gelegenheid om de jubilerende herder een prachtige show te geven van de bloeiende jeugdbeweging in zijn parochie. In de massale stoet kwamen de gezamenlijke gidsen, welpen, voortrekkers en kajotters de schouwbur binnen getrokken om fier voor het voetlicht hun gelukwensen te late weerklinken. Hun optreden werd verrassend opgeluisterd door volksdansen en declamaties,hetgeen alle perfect werd uitgevoerd.
Het jaar daarop 1948 begon het te roeren onder de huisgenoten van pastoor Kerkvliet, niet dat zij ontevreden waren met hum lot, en naar verbetering van hun levenspositie hunkerden, maar twee kapelaans waren zo langzamerhand aan de beurt om zelf pastoor te worden.
De eerste die dit voorrecht te beurt viel was kapelaan Adrianus Hooyschuur, die na zeven jaar in de Sint Elisabeth gewerkt te hebben in Juni 1948 benoemd werd tot bouwpastoor te Andijk in Noord-Holland. Andijk behoorde tot de parochie van Wevershoef en zou nu onder de nieuwe pastoor Hooyschuur een eigen zelfstandige parochie worden. Maar hij moest er van de grond af aan beginnen, net als pastoor Wreesman vijftig jaar geleden op de Mathenesserlaan had moeten doen. Doch niet onder gelijke gunstige omstandigheden. Maar zijn oud-parochianen van de "Math" lieten hem niet met ledige handen vertrekken. Toen hij afscheid nam kreeg hij niet minder dan ƒ 6500,- mee als eerste bijdrage voor zijn nieuwe werk.

pag. 30

 

Pastoor Hooyschuur beantwoordde deze Rotterdamse royaliteit met een fijne geste; hij liet de eerstvolgende zomer een veertigtal mathenesserparochiaantjes, die het meest behoefte hadden aan licht en lucht per autobus naar Andijk komen om een heerlijke vacantie door te brengen in zijn frisse landelijke gemeente.
Opvolger aan de Elisabeth van kapelaan Hooyschuur werd kapelaan Fr.J. Bank, die aanstonds debuteerde met de oprichting van een nieuwe vereniging "de edelwacht van het Allerheiligste Sacrament" voor kinderen uit de drie hoogste klassen van de lagere scholen.
Een jaar na het heengaan van kapelaan Hooyschuur werd kapelaan B. Dorbeck, die ruim twaalf jaar aan de Sint Elisabeth was verbonden, benoemd tot pastoor te Bleiswijk. Hij behoefde niet zo'n lange en omslachtige reis te maken als zijn collega Hooyschuur, want Bleiswijk licht onder de rook van Rotterdam, en de parochianen van de "Math" zien hem trouw op alle hoge feesten in de Elisabeth present.
Met weemoed zullen de parochianen van de "Math" nog altijd denken aan de sympathieke figuur van kapelaan Herman Westerkamp, die zes jaar onder hen met grote ijver arbeidde, maar in 1939 in alle stilte om een hogere geestelijke levensstaat te kiezen in de Congregatie der Missionarissen van het Allerh. Hart, en nu reeds jaren in de missie op Ambon werkzaam is.
Ging er in 1949 een kapelaan van de "Math" weg, op Sint Maartensavond van datzelfde jaar kwam de klok terug, de klok die de Duitsers in de oorlogsjaren met geweld hadden weggevoerd. Natuurlijk niet de oude maar een 1200 kilo wegende klok, door pastoor Kerkvliet besteld, en daarom met de naam "Gerardus" gedoopt.
De gewichtige gast was op de Rochussenstraat feestelijk versierd op een vrachtwagen geladen en werd in triomf naar de kerk gevoerd. Voorop joeg de harmonie St. Gregorius, die ook aan pastoor Kerkvliet, zoveel verplichtingen heeft, haar vreugdeklanken door de verraste straten, rond en achter de auto liep de jeugd van de parochie met fakkels te glunderen, en het klokje van de zusters uit de Robert Fruinstraat klepte honderd en één kinderlijk-blije klanken uit over de komst van de grote broer. Heel wat verheugde parochianen kwamen toegelopen, toen pastoor Kerkvliet op de

pag. 31

 

trappen voor de kerk de gast ontving. Met het grote Eisabeth-feest op 19 November zou de klok voor het eerst in actie komen. En zo was deze schadepost uit de oorlog weer gelukkig ingelopen. Nog wonderbaarlijker liep het met de enorme glasschade, die de kerk had geleden. Waren de vele gebrandschilderde vensters, die eens de trots waren van de Elisabeth door de twee opeenvolgende bombardementen tot de laatste splinter toe vergruizeld, binnen de vijf jaren zag de kerk haar stralende luister niet alleen hersteld, maar zelfs in pracht en kunstschoonheid nog overtroffen. Wij noemen het zinrijke Willebrordusraam, het raam ter ere van Sint Anna, de verbeelding van het Mirakel van Amsterdam, het raam voor de heilige Patroon van Rotterdam St. Laurentius, te zamen alle werken van de beproefde glazenier H. Asperslag; voorts de fijn gestyleerde Fatimaramen van Jos. Dormolen, de kleinere vensters in de Sint Antonius kapel van J. Stroucken.
Maar boven alles uit gaan de twee kleur-symphoniën van de Limburgse grootmeester Charles Eyck, die twee opervlakken glas kreeg te vullen van ieder 24 vierkante meter groot.
Eerst aan de westzijde van het transept de bonte voorstelling van de "Acht Zaligheden" , en toen de andere vleugel van het transept de magistrale kleurcompositie op de mooie teksten uit het Lucas-evangelie op de goddelijke barmhartigheid, in welke laatste Charles Eyck de volle rijpheid van zijn geniale kunst heeft weten te vieren.
"De gedachten van de toeschouwer bij het overwegen van dit tafereel," - getuigde de kunstcriticus Gabriel Smit - "gaan gemakkelijk terug naar de "Biblia pauperum", de bijbel der armen uit de late middeleeuwen,waarin een overvloedig aantal platen aanvulde wat aan de mogelijkheid tot lezen ontbrak. Leren, verkondigen door te zien, te kijken,deze oude waarheid die de kerkelijke kunst der middeleeuwen haar onmetelijke luister schonk, heeft Eyck hier met grote overtuigingskracht tot nieuw leven gewekt." In gelijke stijl zien wij in deze mooie Sint Elisabeth, een feesttempel bij uitstek, ook altijd de grote kerkelijke festijnen gevierd.
Wij noemen uit de laatste jaren de groots opgezette dogma-viering van Maria ten Hemel-opname, de opening van het Mariale jaar met de hooggestemde Maria-conserten onder deskunige voorlichting van de

pag. 32

 

artistieke kapelaan Dijsselbloem, de zeldzame plechtige H. Mis van drie negerpriesters van de Goudkust aan het altaar, het tienjarig feest van de Una Sancta-paters onder voorgaan van de Abt van Egmond, de ontroerende Paaswake en de eerste Avondmissen.
En dan tenslotte de grootse viering, verleden jaar 15 Augustus 1953, van het 40-jarig priesterfeest van pastoor Kerkvliet zelf, de pastoor die een aandeel van twintig eigen jaren heeft in het gouden bestaansfeest van de Sint Elisabeth. die hij met zoveel liefde en toewijding heeft gediend. Het grote Ahoy-paviljoen van Rotterdam moest worden afgehuurd ter  receptie van de duizenden verheugde en meelevende parochianen een gelukkige kans te geven hun jubilerende pastoor de dankende hand te drukken voor alles, wat hij voor kerk en parochie heeft gedaan.
De pastoor zou er aan toevoegen, gedaan met de onvergetelijke medewerking van alle parochianen.
Het was nog in ditzelfde jubeljaar dat op een Decembermiddag in de week vóór Kerstmis de Pauselijke Nuntius-Internuntius mgr Paolo Giobbe, die zo dikwijls in de laatste twintig jaar de opgetogen getuige was geweest van dit bloeiend parochieleven op de Mathenesserlaan, onverwacht de pastorie kwam binnentreden om de verblufte pastoor Kerkvliet de officiële aanzegging te doen, Z.H. de Paus Pius XII  zijn verdienstelijke en beminde zoon Gerardus Johannes Hermanus Kervliet had verheven Zijn Geheim Kamerheer.
En het waren zijn blij-instemmende kapelaans, die hun pastoor met het eerst purper omhulden.
zij hadden gelijk, dit paste zo waardig in de geschiedenis van het vijftigjarig bestaan van hun geliefde Elisabeth-kerk.

Rotterdam, September 1954.  

pag. 33

 

 

50jmath007x

V.l.n.r. Kapelaan P. van Vliet, Mgr Kerkvliet en de kapelaans
J. Dijselbloem en Fr. Bank in het jubeljaar 1954

pag. 34 

 

KERKMEESTERS PAROCHIE ST. ELISABETH

VANAF 1904 TOT 1954

W.P.A. Harte 1904 -1929
J.H. Stelwagen 1904 - 1906
Mr. A.L.N. v.d. Clooster Baron Sloet tot Everloo 1905 - 1906
H.H.P.A.M. van der Ven 1906 - 1930
J.A.G.D. Seeuwen 1908 - 1923
J. Kavelaars 1918 - 1944
Dr. M.A. van Bouwdijk - Bastiaanse 1923 - 1925
H.J.M. Vrijmoed 1929 - 1949
A.H.W. van der Lugt 1930 -
L. Hustinx 1935 - 1940
J.H. Kuypers 1940 -
C.H.C. van Eijck 1944 -
P.D.C. Kok 1949 -

 Blz 35

 

KAPELAANS VAN DE PAROCHIE VAN DE H. ELISABETH 

Petrus de Wolf                        1904 - 1910
Wolhemus Kooy 1909 - 1913
Adrianus Kortekaas 1910 - 1915
Joês Vollering 1912 - 1918
Joês de Jonge 1913 - 1917
Wilhelmus Pompe 1914 - 1929
Adelbertus Spigt 1916 - 1920
Nicolaus Sentenie 1916 - 1920
Jacobus Wieman 1918 - 1925
Joês Röben 1921 - 1926
Cornelis Dessing  1923 - 1929
Jacobus Middelburg 1923 - 1927
Carolus Elsenbroek 1926 - 1929
Gerardus van Zuylen 1927 - 1933
Jacobus Riswick 1927 - 1933
Antonius Schaaper 1929 - 1937
Cornelis de Ruyter 1933 - 1936
Herman Westerkamp 1933 - 1939
LeOnardus Schinkel 1636 - 1946
Bernardus Dorbeck 1937 - 1947
Bernardus Henning 1939 - 1941
Adrianus Hooyschuur 1941 - 1948
Petrus v. Vliet 1946 -
Franciscus Bank 1948 -
Joês Dijsselbloem 1949 -

 

pag. 36 

Nawoord

Toen ik op de website van de kathedraal het artikel "Historisch overzicht 1904 - 1979" zag staan, bedacht ik mij dat ik in mijn archief het boekje "50 Jaar St. Elisabeth Parochie Rotterdam" moest hebben, uitgegeven in 1954. 

U zult overeenkomsten vinden met het boekje dat bij het 75-jarig bestaan is uitgegeven, maar u zult ook nieuwe dingen ontdekken.

Joop Nijs
Digitale bewerking

Afdrukken E-mail